KETUVIM

Job 20

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ֭/יַּעַן צֹפַ֥ר הַ/נַּֽעֲמָתִ֗י וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zeide:

2
לָ֭/כֵן שְׂעִפַּ֣/י יְשִׁיב֑וּ/נִי וּ֝/בַ/עֲב֗וּר ח֣וּשִׁ/י בִֽ/י
STATEN

Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.

3
מוּסַ֣ר כְּלִמָּתִ֣/י אֶשְׁמָ֑ע וְ֝/ר֗וּחַ מִֽ/בִּינָתִ֥/י יַעֲנֵֽ/נִי
STATEN

Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.

4
הֲ/זֹ֣את יָ֭דַעְתָּ מִנִּי עַ֑ד מִנִּ֤י שִׂ֖ים אָדָ֣ם עֲלֵי אָֽרֶץ
STATEN

Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

5
כִּ֤י רִנְנַ֣ת רְ֭שָׁעִים מִ/קָּר֑וֹב וְ/שִׂמְחַ֖ת חָנֵ֣ף עֲדֵי רָֽגַע
STATEN

Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?

6
אִם יַעֲלֶ֣ה לַ/שָּׁמַ֣יִם שִׂיא֑/וֹ וְ֝/רֹאשׁ֗/וֹ לָ/עָ֥ב יַגִּֽיעַ
STATEN

Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;

7
כְּֽ֭/גֶלֲל/וֹ לָ/נֶ֣צַח יֹאבֵ֑ד רֹ֝אָ֗י/ו יֹאמְר֥וּ אַיּֽ/וֹ
STATEN

Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?

8
כַּ/חֲל֣וֹם יָ֭עוּף וְ/לֹ֣א יִמְצָא֑וּ/הוּ וְ֝/יֻדַּ֗ד כְּ/חֶזְי֥וֹן לָֽיְלָה
STATEN

Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.

9
עַ֣יִן שְׁ֭זָפַתּ/וּ וְ/לֹ֣א תוֹסִ֑יף וְ/לֹא ע֝֗וֹד תְּשׁוּרֶ֥/נּוּ מְקוֹמֽ/וֹ
STATEN

Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.

10
בָּ֭נָי/ו יְרַצּ֣וּ דַלִּ֑ים וְ֝/יָדָ֗י/ו תָּשֵׁ֥בְנָה אוֹנֽ/וֹ
STATEN

Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten wederuitkeren.

11
עַ֭צְמוֹתָי/ו מָלְא֣וּ עלומ/ו וְ֝/עִמּ֗/וֹ עַל עָפָ֥ר תִּשְׁכָּֽב עֲלוּמָ֑י/ו
STATEN

Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

12
אִם תַּמְתִּ֣יק בְּ/פִ֣י/ו רָעָ֑ה יַ֝כְחִידֶ֗/נָּה תַּ֣חַת לְשׁוֹנֽ/וֹ
STATEN

Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

13
יַחְמֹ֣ל עָ֭לֶי/הָ וְ/לֹ֣א יַֽעַזְבֶ֑/נָּה וְ֝/יִמְנָעֶ֗/נָּה בְּ/ת֣וֹךְ חִכּֽ/וֹ
STATEN

Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

14
לַ֭חְמ/וֹ בְּ/מֵעָ֣י/ו נֶהְפָּ֑ךְ מְרוֹרַ֖ת פְּתָנִ֣ים בְּ/קִרְבּֽ/וֹ
STATEN

Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

15
חַ֣יִל בָּ֭לַע וַ/יְקִאֶ֑/נּוּ מִ֝/בִּטְנ֗/וֹ יוֹרִשֶׁ֥/נּוּ אֵֽל
STATEN

Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.

16
רֹאשׁ פְּתָנִ֥ים יִינָ֑ק תַּֽ֝הַרְגֵ֗/הוּ לְשׁ֣וֹן אֶפְעֶֽה
STATEN

Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.

17
אַל יֵ֥רֶא בִ/פְלַגּ֑וֹת נַהֲרֵ֥י נַ֝חֲלֵ֗י דְּבַ֣שׁ וְ/חֶמְאָֽה
STATEN

De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.

18
מֵשִׁ֣יב יָ֭גָע וְ/לֹ֣א יִבְלָ֑ע כְּ/חֵ֥יל תְּ֝מוּרָת֗/וֹ וְ/לֹ֣א יַעֲלֹֽס
STATEN

Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.

19
כִּֽי רִ֭צַּץ עָזַ֣ב דַּלִּ֑ים בַּ֥יִת גָּ֝זַ֗ל וְ/לֹ֣א יִבֶנֵֽ/הוּ
STATEN

Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;

20
כִּ֤י לֹא יָדַ֣ע שָׁלֵ֣ו בְּ/בִטְנ֑/וֹ בַּ֝/חֲמוּד֗/וֹ לֹ֣א יְמַלֵּֽט
STATEN

Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.

21
אֵין שָׂרִ֥יד לְ/אָכְל֑/וֹ עַל כֵּ֝֗ן לֹא יָחִ֥יל טוּבֽ/וֹ
STATEN

Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

22
בִּ/מְלֹ֣אות שִׂ֭פְק/וֹ יֵ֣צֶר ל֑/וֹ כָּל יַ֖ד עָמֵ֣ל תְּבוֹאֶֽ/נּוּ
STATEN

Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

23
יְהִ֤י לְ/מַלֵּ֬א בִטְנ֗/וֹ יְֽשַׁלַּח בּ֭/וֹ חֲר֣וֹן אַפּ֑/וֹ וְ/יַמְטֵ֥ר עָ֝לֵ֗י/מוֹ בִּ/לְחוּמֽ/וֹ
STATEN

Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.

24
יִ֭בְרַח מִ/נֵּ֣שֶׁק בַּרְזֶ֑ל תַּ֝חְלְפֵ֗/הוּ קֶ֣שֶׁת נְחוּשָֽׁה
STATEN

Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.

25
שָׁלַף֮ וַ/יֵּצֵ֪א מִ/גֵּ֫וָ֥ה וּ֭/בָרָק מִֽ/מְּרֹרָת֥/וֹ יַהֲלֹ֗ךְ עָלָ֥י/ו אֵמִֽים
STATEN

Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.

26
כָּל חֹשֶׁךְ֮ טָמ֪וּן לִ/צְפּ֫וּנָ֥י/ו תְּ֭אָכְלֵ/הוּ אֵ֣שׁ לֹֽא נֻפָּ֑ח יֵ֖רַע שָׂרִ֣יד בְּ/אָהֳלֽ/וֹ
STATEN

Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.

27
יְגַלּ֣וּ שָׁמַ֣יִם עֲוֺנ֑/וֹ וְ֝/אֶ֗רֶץ מִתְקוֹמָ֘מָ֥ה לֽ/וֹ
STATEN

De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.

28
יִ֭גֶל יְב֣וּל בֵּית֑/וֹ נִ֝גָּר֗וֹת בְּ/י֣וֹם אַפּֽ/וֹ
STATEN

De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.

29
זֶ֤ה חֵֽלֶק אָדָ֣ם רָ֭שָׁע מֵ/אֱלֹהִ֑ים וְ/נַחֲלַ֖ת אִמְר֣/וֹ מֵ/אֵֽל
STATEN

Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.