Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
הֵן תֹּחַלְתּ֥/וֹ נִכְזָ֑בָה הֲ/גַ֖ם אֶל מַרְאָ֣י/ו יֻטָֽל־־׃
STATEN
Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
לֹֽא אַ֭כְזָר כִּ֣י יְעוּרֶ֑/נּוּ וּ/מִ֥י ה֝֗וּא לְ/פָנַ֥/י יִתְיַצָּֽב־׃
STATEN
Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
מִ֣י הִ֭קְדִּימַ/נִי וַ/אֲשַׁלֵּ֑ם תַּ֖חַת כָּל הַ/שָּׁמַ֣יִם לִ/י הֽוּא־־׃
STATEN
Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
לֽ/וֹ לא אַחֲרִ֥ישׁ בַּדָּ֑י/ו וּ/דְבַר גְּ֝בוּר֗וֹת וְ/חִ֣ין עֶרְכּֽ/וֹ־־׃
STATEN
Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
מִֽי גִ֭לָּה פְּנֵ֣י לְבוּשׁ֑/וֹ בְּ/כֶ֥פֶל רִ֝סְנ֗/וֹ מִ֣י יָבֽוֹא־׃
STATEN
Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
דַּלְתֵ֣י פָ֭נָי/ו מִ֣י פִתֵּ֑חַ סְבִיב֖וֹת שִׁנָּ֣י/ו אֵימָֽה׃
STATEN
Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
גַּ֭אֲוָה אֲפִיקֵ֣י מָֽגִנִּ֑ים סָ֝ג֗וּר חוֹתָ֥ם צָֽר׃
STATEN
Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
אֶחָ֣ד בְּ/אֶחָ֣ד יִגַּ֑שׁוּ וְ֝/ר֗וּחַ לֹא יָב֥וֹא בֵֽינֵי/הֶֽם־׃
STATEN
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
אִישׁ בְּ/אָחִ֥י/הוּ יְדֻבָּ֑קוּ יִ֝תְלַכְּד֗וּ וְ/לֹ֣א יִתְפָּרָֽדוּ־׃
STATEN
Elkeen zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
עֲֽ֭טִישֹׁתָי/ו תָּ֣הֶל א֑וֹר וְ֝/עֵינָ֗י/ו כְּ/עַפְעַפֵּי שָֽׁחַר־׃
STATEN
Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
מִ֭/פִּי/ו לַפִּידִ֣ים יַהֲלֹ֑כוּ כִּיד֥וֹדֵי אֵ֝֗שׁ יִתְמַלָּֽטוּ׃
STATEN
Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel.
מִ֭/נְּחִירָי/ו יֵצֵ֣א עָשָׁ֑ן כְּ/ד֖וּד נָפ֣וּחַ וְ/אַגְמֹֽן׃
STATEN
Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.