KETUVIM

Job 10

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
נָֽקְטָ֥ה נַפְשִׁ֗/י בְּ/חַ֫יָּ֥/י אֶֽעֶזְבָ֣ה עָלַ֣/י שִׂיחִ֑/י אֲ֝דַבְּרָה֗ בְּ/מַ֣ר נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

2
אֹמַ֣ר אֶל אֱ֭לוֹהַּ אַל תַּרְשִׁיעֵ֑/נִי הֽ֝וֹדִיעֵ֗/נִי עַ֣ל מַה תְּרִיבֵֽ/נִי
STATEN

Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

3
הֲ/ט֤וֹב לְ/ךָ֨ כִּֽי תַעֲשֹׁ֗ק כִּֽי תִ֭מְאַס יְגִ֣יעַ כַּפֶּ֑י/ךָ וְ/עַל עֲצַ֖ת רְשָׁעִ֣ים הוֹפָֽעְתָּ
STATEN

Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

4
הַ/עֵינֵ֣י בָשָׂ֣ר לָ֑/ךְ אִם כִּ/רְא֖וֹת אֱנ֣וֹשׁ תִּרְאֶֽה
STATEN

Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

5
הֲ/כִ/ימֵ֣י אֱנ֣וֹשׁ יָמֶ֑י/ךָ אִם שְׁ֝נוֹתֶ֗י/ךָ כִּ֣/ימֵי גָֽבֶר
STATEN

Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

6
כִּֽי תְבַקֵּ֥שׁ לַ/עֲוֺנִ֑/י וּ֭/לְ/חַטָּאתִ֥/י תִדְרֽוֹשׁ
STATEN

Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

7
עַֽל דַּ֭עְתְּ/ךָ כִּי לֹ֣א אֶרְשָׁ֑ע וְ/אֵ֖ין מִ/יָּדְ/ךָ֣ מַצִּֽיל
STATEN

Het is in Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

8
יָדֶ֣י/ךָ עִ֭צְּבוּ/נִי וַֽ/יַּעֲשׂ֑וּ/נִי יַ֥חַד סָ֝בִ֗יב וַֽ/תְּבַלְּעֵֽ/נִי
STATEN

Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.

9
זְכָר נָ֭א כִּי כַ/חֹ֣מֶר עֲשִׂיתָ֑/נִי וְֽ/אֶל עָפָ֥ר תְּשִׁיבֵֽ/נִי
STATEN

Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.

10
הֲ/לֹ֣א כֶ֭/חָלָב תַּתִּיכֵ֑/נִי וְ֝/כַ/גְּבִנָּ֗ה תַּקְפִּיאֵֽ/נִי
STATEN

Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?

11
ע֣וֹר וּ֭/בָשָׂר תַּלְבִּישֵׁ֑/נִי וּֽ/בַ/עֲצָמ֥וֹת וְ֝/גִידִ֗ים תְּסֹכְכֵֽ/נִי
STATEN

Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;

12
חַיִּ֣ים וָ֭/חֶסֶד עָשִׂ֣יתָ עִמָּדִ֑/י וּ֝/פְקֻדָּתְ/ךָ֗ שָֽׁמְרָ֥ה רוּחִֽ/י
STATEN

Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.

13
וְ֭/אֵלֶּה צָפַ֣נְתָּ בִ/לְבָבֶ֑/ךָ יָ֝דַ֗עְתִּי כִּי זֹ֥את עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.

14
אִם חָטָ֥אתִי וּ/שְׁמַרְתָּ֑/נִי וּ֝/מֵ/עֲוֺנִ֗/י לֹ֣א תְנַקֵּֽ/נִי
STATEN

Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.

15
אִם רָשַׁ֡עְתִּי אַלְלַ֬י לִ֗/י וְ֭/צָדַקְתִּי לֹא אֶשָּׂ֣א רֹאשִׁ֑/י שְׂבַ֥ע קָ֝ל֗וֹן וּ/רְאֵ֥ה עָנְיִֽ/י
STATEN

Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.

16
וְ֭/יִגְאֶה כַּ/שַּׁ֣חַל תְּצוּדֵ֑/נִי וְ֝/תָשֹׁ֗ב תִּתְפַּלָּא בִֽ/י
STATEN

Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.

17
תְּחַדֵּ֬שׁ עֵדֶ֨י/ךָ נֶגְדִּ֗/י וְ/תֶ֣רֶב כַּֽ֭עַשְׂ/ךָ עִמָּדִ֑/י חֲלִיפ֖וֹת וְ/צָבָ֣א עִמִּֽ/י
STATEN

Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

18
וְ/לָ֣/מָּה מֵ֭/רֶחֶם הֹצֵאתָ֑/נִי אֶ֝גְוַ֗ע וְ/עַ֣יִן לֹא תִרְאֵֽ/נִי
STATEN

En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

19
כַּ/אֲשֶׁ֣ר לֹא הָיִ֣יתִי אֶהְיֶ֑ה מִ֝/בֶּ֗טֶן לַ/קֶּ֥בֶר אוּבָֽל
STATEN

Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.

20
הֲ/לֹא מְעַ֣ט יָמַ֣/י יחדל ישית מִ֝מֶּ֗/נִּי וְ/אַבְלִ֥יגָה מְּעָֽט וַ/חֲדָ֑ל וְ/שִׁ֥ית
STATEN

Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

21
בְּ/טֶ֣רֶם אֵ֭לֵךְ וְ/לֹ֣א אָשׁ֑וּב אֶל אֶ֖רֶץ חֹ֣שֶׁךְ וְ/צַלְמָֽוֶת
STATEN

Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;

22
אֶ֤רֶץ עֵיפָ֨תָ/ה כְּמ֥וֹ אֹ֗פֶל צַ֭לְמָוֶת וְ/לֹ֥א סְדָרִ֗ים וַ/תֹּ֥פַע כְּמוֹ אֹֽפֶל
STATEN

Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.