KETUVIM

Job 38

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּֽעַן יְהוָ֣ה אֶת אִ֭יּוֹב מנ ה/סערה וַ/יֹּאמַֽר מִ֥ן הַ/סְּעָרָ֗ה
STATEN

Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

2
מִ֤י זֶ֨ה מַחְשִׁ֖יךְ עֵצָ֥ה בְ/מִלִּ֗ין בְּֽלִי דָֽעַת
STATEN

Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

3
אֱזָר נָ֣א כְ/גֶ֣בֶר חֲלָצֶ֑י/ךָ וְ֝/אֶשְׁאָלְ/ךָ֗ וְ/הוֹדִיעֵֽ/נִי
STATEN

Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.

4
אֵיפֹ֣ה הָ֭יִיתָ בְּ/יָסְדִ/י אָ֑רֶץ הַ֝גֵּ֗ד אִם יָדַ֥עְתָּ בִינָֽה
STATEN

Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

5
מִי שָׂ֣ם מְ֭מַדֶּי/הָ כִּ֣י תֵדָ֑ע א֤וֹ מִֽי נָטָ֖ה עָלֶ֣י/הָ קָּֽו
STATEN

Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?

6
עַל מָ֭ה אֲדָנֶ֣י/הָ הָטְבָּ֑עוּ א֥וֹ מִֽי יָ֝רָ֗ה אֶ֣בֶן פִּנָּתָֽ/הּ
STATEN

Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?

7
בְּ/רָן יַ֭חַד כּ֣וֹכְבֵי בֹ֑קֶר וַ֝/יָּרִ֗יעוּ כָּל בְּנֵ֥י אֱלֹהִֽים
STATEN

Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.

8
וַ/יָּ֣סֶךְ בִּ/דְלָתַ֣יִם יָ֑ם בְּ֝/גִיח֗/וֹ מֵ/רֶ֥חֶם יֵצֵֽא
STATEN

Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

9
בְּ/שׂוּמִ֣/י עָנָ֣ן לְבֻשׁ֑/וֹ וַ֝/עֲרָפֶ֗ל חֲתֻלָּתֽ/וֹ
STATEN

Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

10
וָ/אֶשְׁבֹּ֣ר עָלָ֣י/ו חֻקִּ֑/י וָֽ֝/אָשִׂ֗ים בְּרִ֣יחַ וּ/דְלָתָֽיִם
STATEN

Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

11
וָ/אֹמַ֗ר עַד פֹּ֣ה תָ֭בוֹא וְ/לֹ֣א תֹסִ֑יף וּ/פֹ֥א יָ֝שִׁ֗ית בִּ/גְא֥וֹן גַּלֶּֽי/ךָ
STATEN

En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.

12
הְֽ֭/מִ/יָּמֶי/ךָ צִוִּ֣יתָ בֹּ֑קֶר ידעתה שחר מְקֹמֽ/וֹ יִדַּ֖עְתָּה הַ/שַּׁ֣חַר
STATEN

Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats gewezen;

13
לֶ֭/אֱחֹז בְּ/כַנְפ֣וֹת הָ/אָ֑רֶץ וְ/יִנָּעֲר֖וּ רְשָׁים מִמֶּֽ/נָּה
STATEN

Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

14
תִּ֭תְהַפֵּךְ כְּ/חֹ֣מֶר חוֹתָ֑ם וְ֝/יִֽתְיַצְּב֗וּ כְּמ֣וֹ לְבֽוּשׁ
STATEN

Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

15
וְ/יִמָּנַ֣ע מֵ/רְשָׁים אוֹרָ֑/ם וּ/זְר֥וֹעַ רָ֝מָ֗ה תִּשָּׁבֵֽר
STATEN

En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?

16
הֲ֭/בָאתָ עַד נִבְכֵי יָ֑ם וּ/בְ/חֵ֥קֶר תְּ֝ה֗וֹם הִתְהַלָּֽכְתָּ
STATEN

Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

17
הֲ/נִגְל֣וּ לְ֭/ךָ שַׁעֲרֵי מָ֑וֶת וְ/שַׁעֲרֵ֖י צַלְמָ֣וֶת תִּרְאֶֽה
STATEN

Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?

18
הִ֭תְבֹּנַנְתָּ עַד רַחֲבֵי אָ֑רֶץ הַ֝גֵּ֗ד אִם יָדַ֥עְתָּ כֻלָּֽ/הּ
STATEN

Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

19
אֵי זֶ֣ה הַ֭/דֶּרֶךְ יִשְׁכָּן א֑וֹר וְ֝/חֹ֗שֶׁךְ אֵי זֶ֥ה מְקֹמֽ/וֹ
STATEN

Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

20
כִּ֣י תִ֭קָּחֶ/נּוּ אֶל גְּבוּל֑/וֹ וְ/כִֽי תָ֝בִ֗ין נְתִיב֥וֹת בֵּיתֽ/וֹ
STATEN

Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

21
יָ֭דַעְתָּ כִּי אָ֣ז תִּוָּלֵ֑ד וּ/מִסְפַּ֖ר יָמֶ֣י/ךָ רַבִּֽים
STATEN

Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.

22
הֲ֭/בָאתָ אֶל אֹצְר֣וֹת שָׁ֑לֶג וְ/אֹצְר֖וֹת בָּרָ֣ד תִּרְאֶֽה
STATEN

Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

23
אֲשֶׁר חָשַׂ֥כְתִּי לְ/עֶת צָ֑ר לְ/י֥וֹם קְ֝רָ֗ב וּ/מִלְחָמָֽה
STATEN

Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!

24
אֵי זֶ֣ה הַ֭/דֶּרֶךְ יֵחָ֣לֶק א֑וֹר יָפֵ֖ץ קָדִ֣ים עֲלֵי אָֽרֶץ
STATEN

Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

25
מִֽי פִלַּ֣ג לַ/שֶּׁ֣טֶף תְּעָלָ֑ה וְ֝/דֶ֗רֶךְ לַ/חֲזִ֥יז קֹלֽוֹת
STATEN

Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

26
לְ֭/הַמְטִיר עַל אֶ֣רֶץ לֹא אִ֑ישׁ מִ֝דְבָּ֗ר לֹא אָדָ֥ם בּֽ/וֹ
STATEN

Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;

27
לְ/הַשְׂבִּ֣יעַ שֹׁ֭אָה וּ/מְשֹׁאָ֑ה וּ֝/לְ/הַצְמִ֗יחַ מֹ֣צָא דֶֽשֶׁא
STATEN

Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.

28
הֲ/יֵשׁ לַ/מָּטָ֥ר אָ֑ב א֥וֹ מִי ה֝וֹלִ֗יד אֶגְלֵי טָֽל
STATEN

Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?

29
מִ/בֶּ֣טֶן מִ֭י יָצָ֣א הַ/קָּ֑רַח וּ/כְפֹ֥ר שָׁ֝מַיִם מִ֣י יְלָדֽ/וֹ
STATEN

Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

30
כָּ֭/אֶבֶן מַ֣יִם יִתְחַבָּ֑אוּ וּ/פְנֵ֥י תְ֝ה֗וֹם יִתְלַכָּֽדוּ
STATEN

Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

31
הַֽ֭/תְקַשֵּׁר מַעֲדַנּ֣וֹת כִּימָ֑ה אֽוֹ מֹשְׁכ֖וֹת כְּסִ֣יל תְּפַתֵּֽחַ
STATEN

Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Oríons losmaken?

32
הֲ/תֹצִ֣יא מַזָּר֣וֹת בְּ/עִתּ֑/וֹ וְ֝/עַ֗יִשׁ עַל בָּנֶ֥י/הָ תַנְחֵֽ/ם
STATEN

Kunt gij de Mazzarôth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?

33
הֲ֭/יָדַעְתָּ חֻקּ֣וֹת שָׁמָ֑יִם אִם תָּשִׂ֖ים מִשְׁטָר֣/וֹ בָ/אָֽרֶץ
STATEN

Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

34
הֲ/תָרִ֣ים לָ/עָ֣ב קוֹלֶ֑/ךָ וְֽ/שִׁפְעַת מַ֥יִם תְּכַסֶּֽ/ךָּ
STATEN

Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

35
הַֽ/תְשַׁלַּ֣ח בְּרָקִ֣ים וְ/יֵלֵ֑כוּ וְ/יֹאמְר֖וּ לְ/ךָ֣ הִנֵּֽ/נוּ
STATEN

Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?

36
מִי שָׁ֭ת בַּ/טֻּח֣וֹת חָכְמָ֑ה א֤וֹ מִֽי נָתַ֖ן לַ/שֶּׂ֣כְוִי בִינָֽה
STATEN

Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

37
מִֽי יְסַפֵּ֣ר שְׁחָקִ֣ים בְּ/חָכְמָ֑ה וְ/נִבְלֵ֥י שָׁ֝מַ֗יִם מִ֣י יַשְׁכִּֽיב
STATEN

Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

38
בְּ/צֶ֣קֶת עָ֭פָר לַ/מּוּצָ֑ק וּ/רְגָבִ֥ים יְדֻבָּֽקוּ
STATEN

Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

39
הֲ/תָצ֣וּד לְ/לָבִ֣יא טָ֑רֶף וְ/חַיַּ֖ת כְּפִירִ֣ים תְּמַלֵּֽא
40
כִּי יָשֹׁ֥חוּ בַ/מְּעוֹנ֑וֹת יֵשְׁב֖וּ בַ/סֻּכָּ֣ה לְמוֹ אָֽרֶב
41
מִ֤י יָכִ֥ין לָ/עֹרֵ֗ב צֵ֫יד֥/וֹ כִּֽי ילד/ו אֶל אֵ֣ל יְשַׁוֵּ֑עוּ יִ֝תְע֗וּ לִ/בְלִי אֹֽכֶל יְ֭לָדָי/ו