Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ/יַּֽעַן יְהוָ֣ה אֶת אִ֭יּוֹב מנ ה/סערה וַ/יֹּאמַֽר־־׃ מִ֥ן הַ/סְּעָרָ֗ה׀
STATEN
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
מִ֤י זֶ֨ה מַחְשִׁ֖יךְ עֵצָ֥ה בְ/מִלִּ֗ין בְּֽלִי דָֽעַת׀־׃
STATEN
Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
אֱזָר נָ֣א כְ/גֶ֣בֶר חֲלָצֶ֑י/ךָ וְ֝/אֶשְׁאָלְ/ךָ֗ וְ/הוֹדִיעֵֽ/נִי־׃
STATEN
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
אֵיפֹ֣ה הָ֭יִיתָ בְּ/יָסְדִ/י אָ֑רֶץ הַ֝גֵּ֗ד אִם יָדַ֥עְתָּ בִינָֽה־־׃
STATEN
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
מִי שָׂ֣ם מְ֭מַדֶּי/הָ כִּ֣י תֵדָ֑ע א֤וֹ מִֽי נָטָ֖ה עָלֶ֣י/הָ קָּֽו־־׃
STATEN
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
עַל מָ֭ה אֲדָנֶ֣י/הָ הָטְבָּ֑עוּ א֥וֹ מִֽי יָ֝רָ֗ה אֶ֣בֶן פִּנָּתָֽ/הּ־־׃
STATEN
Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
בְּ/רָן יַ֭חַד כּ֣וֹכְבֵי בֹ֑קֶר וַ֝/יָּרִ֗יעוּ כָּל בְּנֵ֥י אֱלֹהִֽים־־׃
STATEN
Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
וַ/יָּ֣סֶךְ בִּ/דְלָתַ֣יִם יָ֑ם בְּ֝/גִיח֗/וֹ מֵ/רֶ֥חֶם יֵצֵֽא׃
STATEN
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
בְּ/שׂוּמִ֣/י עָנָ֣ן לְבֻשׁ֑/וֹ וַ֝/עֲרָפֶ֗ל חֲתֻלָּתֽ/וֹ׃
STATEN
Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
וָ/אֶשְׁבֹּ֣ר עָלָ֣י/ו חֻקִּ֑/י וָֽ֝/אָשִׂ֗ים בְּרִ֣יחַ וּ/דְלָתָֽיִם׃
STATEN
Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
וָ/אֹמַ֗ר עַד פֹּ֣ה תָ֭בוֹא וְ/לֹ֣א תֹסִ֑יף וּ/פֹ֥א יָ֝שִׁ֗ית בִּ/גְא֥וֹן גַּלֶּֽי/ךָ־־׃
STATEN
En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
הְֽ֭/מִ/יָּמֶי/ךָ צִוִּ֣יתָ בֹּ֑קֶר ידעתה שחר מְקֹמֽ/וֹ יִדַּ֖עְתָּה הַ/שַּׁ֣חַר׃
STATEN
Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats gewezen;