Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
מַדּ֗וּעַ מִ֭/שַּׁדַּי לֹא נִצְפְּנ֣וּ עִתִּ֑ים ו/ידע/ו לֹא חָ֥זוּ יָמָֽי/ו־־׃ וְ֝/יֹדְעָ֗י/ו
STATEN
Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
גְּבֻל֥וֹת יַשִּׂ֑יגוּ עֵ֥דֶר גָּ֝זְל֗וּ וַ/יִּרְעֽוּ׃
STATEN
Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.
חֲמ֣וֹר יְתוֹמִ֣ים יִנְהָ֑גוּ יַ֝חְבְּל֗וּ שׁ֣וֹר אַלְמָנָֽה׃
STATEN
Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.
יַטּ֣וּ אֶבְיוֹנִ֣ים מִ/דָּ֑רֶךְ יַ֥חַד חֻ֝בְּא֗וּ עֲנִיֵּי אָֽרֶץ־׃
STATEN
Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
הֵ֤ן פְּרָאִ֨ים בַּֽ/מִּדְבָּ֗ר יָצְא֣וּ בְּ֭/פָעֳלָ/ם מְשַׁחֲרֵ֣י לַ/טָּ֑רֶף עֲרָבָ֥ה ל֥/וֹ לֶ֝֗חֶם לַ/נְּעָרִֽים׀׃
STATEN
Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.
בַּ֭/שָּׂדֶה בְּלִיל֣/וֹ יקצירו וְ/כֶ֖רֶם רָשָׁ֣ע יְלַקֵּֽשׁוּ יִקְצ֑וֹרוּ׃
STATEN
Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.
עָר֣וֹם יָ֭לִינוּ מִ/בְּלִ֣י לְב֑וּשׁ וְ/אֵ֥ין כְּ֝ס֗וּת בַּ/קָּרָֽה׃
STATEN
Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.
מִ/זֶּ֣רֶם הָרִ֣ים יִרְטָ֑בוּ וּֽ/מִ/בְּלִ֥י מַ֝חְסֶ֗ה חִבְּקוּ צֽוּר־׃
STATEN
Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.
יִ֭גְזְלוּ מִ/שֹּׁ֣ד יָת֑וֹם וְֽ/עַל עָנִ֥י יַחְבֹּֽלוּ־׃
STATEN
Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.
עָר֣וֹם הִ֭לְּכוּ בְּלִ֣י לְב֑וּשׁ וּ֝/רְעֵבִ֗ים נָ֣שְׂאוּ עֹֽמֶר׃
STATEN
Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.
בֵּין שׁוּרֹתָ֥/ם יַצְהִ֑ירוּ יְקָבִ֥ים דָּ֝רְכ֗וּ וַ/יִּצְמָֽאוּ־׃
STATEN
Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.
מֵ֘/עִ֤יר מְתִ֨ים יִנְאָ֗קוּ וְ/נֶֽפֶשׁ חֲלָלִ֥ים תְּשַׁוֵּ֑עַ וֶ֝/אֱל֗וֹהַּ לֹא יָשִׂ֥ים תִּפְלָֽה׀־־׃
STATEN
Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.