KETUVIM

Job 8

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ֭/יַּעַן בִּלְדַּ֥ד הַ/שּׁוּחִ֗י וַ/יֹאמַֽר
STATEN

Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

2
עַד אָ֥ן תְּמַלֶּל אֵ֑לֶּה וְ/ר֥וּחַ כַּ֝בִּיר אִמְרֵי פִֽי/ךָ
STATEN

Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?

3
הַ֭/אֵל יְעַוֵּ֣ת מִשְׁפָּ֑ט וְ/אִם שַׁ֝דַּ֗י יְעַוֵּֽת צֶֽדֶק
STATEN

Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

4
אִם בָּנֶ֥י/ךָ חָֽטְאוּ ל֑/וֹ וַֽ֝/יְשַׁלְּחֵ֗/ם בְּ/יַד פִּשְׁעָֽ/ם
STATEN

Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.

5
אִם אַ֭תָּה תְּשַׁחֵ֣ר אֶל אֵ֑ל וְ/אֶל שַׁ֝דַּ֗י תִּתְחַנָּֽן
STATEN

Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;

6
אִם זַ֥ךְ וְ/יָשָׁ֗ר אָ֥תָּה כִּי עַ֭תָּה יָעִ֣יר עָלֶ֑י/ךָ וְ֝/שִׁלַּ֗ם נְוַ֣ת צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.

7
וְ/הָיָ֣ה רֵאשִׁיתְ/ךָ֣ מִצְעָ֑ר וְ֝/אַחֲרִיתְ/ךָ֗ יִשְׂגֶּ֥ה מְאֹֽד
STATEN

Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.

8
כִּֽי שְׁאַל נָ֭א לְ/דֹ֣ר רִישׁ֑וֹן וְ֝/כוֹנֵ֗ן לְ/חֵ֣קֶר אֲבוֹתָֽ/ם
STATEN

Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.

9
כִּֽי תְמ֣וֹל אֲ֭נַחְנוּ וְ/לֹ֣א נֵדָ֑ע כִּ֤י צֵ֖ל יָמֵ֣י/נוּ עֲלֵי אָֽרֶץ
STATEN

Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.

10
הֲ/לֹא הֵ֣ם י֭וֹרוּ/ךָ יֹ֣אמְרוּ לָ֑/ךְ וּ֝/מִ/לִּבָּ֗/ם יוֹצִ֥אוּ מִלִּֽים
STATEN

Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?

11
הֲ/יִֽגְאֶה גֹּ֭מֶא בְּ/לֹ֣א בִצָּ֑ה יִשְׂגֶּה אָ֥חוּ בְלִי מָֽיִם
STATEN

Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?

12
עֹדֶ֣/נּוּ בְ֭/אִבּ/וֹ לֹ֣א יִקָּטֵ֑ף וְ/לִ/פְנֵ֖י כָל חָצִ֣יר יִיבָֽשׁ
STATEN

Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het vóór alle gras.

13
כֵּ֗ן אָ֭רְחוֹת כָּל שֹׁ֣כְחֵי אֵ֑ל וְ/תִקְוַ֖ת חָנֵ֣ף תֹּאבֵֽד
STATEN

Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.

14
אֲשֶׁר יָק֥וֹט כִּסְל֑/וֹ וּ/בֵ֥ית עַ֝כָּבִ֗ישׁ מִבְטַחֽ/וֹ
STATEN

Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.

15
יִשָּׁעֵ֣ן עַל בֵּ֭ית/וֹ וְ/לֹ֣א יַעֲמֹ֑ד יַחֲזִ֥יק בּ֝֗/וֹ וְ/לֹ֣א יָקֽוּם
STATEN

Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.

16
רָטֹ֣ב ה֭וּא לִ/פְנֵי שָׁ֑מֶשׁ וְ/עַ֥ל גַּ֝נָּת֗/וֹ יֹֽנַקְתּ֥/וֹ תֵצֵֽא
STATEN

Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.

17
עַל גַּ֭ל שָֽׁרָשָׁ֣י/ו יְסֻבָּ֑כוּ בֵּ֖ית אֲבָנִ֣ים יֶחֱזֶֽה
STATEN

Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.

18
אִם יְבַלְּעֶ֥/נּוּ מִ/מְּקוֹמ֑/וֹ וְ/כִ֥חֶשׁ בּ֝֗/וֹ לֹ֣א רְאִיתִֽי/ךָ
STATEN

Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.

19
הֶן ה֭וּא מְשׂ֣וֹשׂ דַּרְכּ֑/וֹ וּ֝/מֵ/עָפָ֗ר אַחֵ֥ר יִצְמָֽחוּ
STATEN

Zie, dat is de vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.

20
הֶן אֵ֭ל לֹ֣א יִמְאַס תָּ֑ם וְ/לֹֽא יַ֝חֲזִ֗יק בְּ/יַד מְרֵעִֽים
STATEN

Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;

21
עַד יְמַלֵּ֣ה שְׂח֣וֹק פִּ֑י/ךָ וּ/שְׂפָתֶ֥י/ךָ תְרוּעָֽה
STATEN

Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

22
שֹׂנְאֶ֥י/ךָ יִלְבְּשׁוּ בֹ֑שֶׁת וְ/אֹ֖הֶל רְשָׁעִ֣ים אֵינֶֽ/נּוּ
STATEN

Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.