Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
הֲ/לֹא צָבָ֣א לֶ/אֱנ֣וֹשׁ על אָ֑רֶץ וְ/כִ/ימֵ֖י שָׂכִ֣יר יָמָֽי/ו־־׃ עֲלֵי
STATEN
Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?
כְּ/עֶ֥בֶד יִשְׁאַף צֵ֑ל וּ֝/כְ/שָׂכִ֗יר יְקַוֶּ֥ה פָעֳלֽ/וֹ־׃
STATEN
Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon;
כֵּ֤ן הָנְחַ֣לְתִּי לִ֭/י יַרְחֵי שָׁ֑וְא וְ/לֵיל֥וֹת עָ֝מָ֗ל מִנּוּ לִֽ/י־־׃
STATEN
Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.
אִם שָׁכַ֗בְתִּי וְ/אָמַ֗רְתִּי מָתַ֣י אָ֭קוּם וּ/מִדַּד עָ֑רֶב וְ/שָׂבַ֖עְתִּי נְדֻדִ֣ים עֲדֵי נָֽשֶׁף־־־׃
STATEN
Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.
לָ֘בַ֤שׁ בְּשָׂרִ֣/י רִ֭מָּה ו/גיש עָפָ֑ר עוֹרִ֥/י רָ֝גַ֗ע וַ/יִּמָּאֵֽס וְ/ג֣וּשׁ׃
STATEN
Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.
יָמַ֣/י קַ֭לּוּ מִנִּי אָ֑רֶג וַ֝/יִּכְל֗וּ בְּ/אֶ֣פֶס תִּקְוָֽה־׃
STATEN
Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.
זְ֭כֹר כִּי ר֣וּחַ חַיָּ֑/י לֹא תָשׁ֥וּב עֵ֝ינִ֗/י לִ/רְא֥וֹת טֽוֹב־־׃
STATEN
Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
לֹֽא תְ֭שׁוּרֵ/נִי עֵ֣ין רֹ֑אִי עֵינֶ֖י/ךָ בִּ֣/י וְ/אֵינֶֽ/נִּי־׃
STATEN
Het oog Desgenen, Die mij nu ziet, zal mij niet zien; Uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
כָּלָ֣ה עָ֭נָן וַ/יֵּלַ֑ךְ כֵּ֥ן יוֹרֵ֥ד שְׁ֝א֗וֹל לֹ֣א יַעֲלֶֽה׃
STATEN
Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.
לֹא יָשׁ֣וּב ע֣וֹד לְ/בֵית֑/וֹ וְ/לֹא יַכִּירֶ֖/נּוּ ע֣וֹד מְקֹמֽ/וֹ־־׃
STATEN
Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
גַּם אֲנִי֮ לֹ֤א אֶחֱשָׂ֫ךְ פִּ֥/י אֲֽ֭דַבְּרָה בְּ/צַ֣ר רוּחִ֑/י אָ֝שִׂ֗יחָה בְּ/מַ֣ר נַפְשִֽׁ/י־׃
STATEN
Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
הֲֽ/יָם אָ֭נִי אִם תַּנִּ֑ין כִּֽי תָשִׂ֖ים עָלַ֣/י מִשְׁמָֽר־־־׃
STATEN
Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij een wacht zet?