Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
אָ֭דָם יְל֣וּד אִשָּׁ֑ה קְצַ֥ר יָ֝מִ֗ים וּֽ/שְׂבַֽע רֹֽגֶז־׃
STATEN
De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.
כְּ/צִ֣יץ יָ֭צָא וַ/יִּמָּ֑ל וַ/יִּבְרַ֥ח כַּ֝/צֵּ֗ל וְ/לֹ֣א יַעֲמֽוֹד׃
STATEN
Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.
אַף עַל זֶ֭ה פָּקַ֣חְתָּ עֵינֶ֑/ךָ וְ/אֹ֘תִ֤/י תָבִ֖יא בְ/מִשְׁפָּ֣ט עִמָּֽ/ךְ־־׃
STATEN
Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
מִֽי יִתֵּ֣ן טָ֭הוֹר מִ/טָּמֵ֗א לֹ֣א אֶחָֽד־׃
STATEN
Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één.
אִ֥ם חֲרוּצִ֨ים יָמָ֗י/ו מִֽסְפַּר חֳדָשָׁ֥י/ו אִתָּ֑/ךְ חק/ו עָ֝שִׂ֗יתָ וְ/לֹ֣א יַעֲבֽוֹר׀־׃ חֻקָּ֥י/ו
STATEN
Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
שְׁעֵ֣ה מֵ/עָלָ֣י/ו וְ/יֶחְדָּ֑ל עַד יִ֝רְצֶ֗ה כְּ/שָׂכִ֥יר יוֹמֽ/וֹ־׃
STATEN
Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.
כִּ֤י יֵ֥שׁ לָ/עֵ֗ץ תִּ֫קְוָ֥ה אִֽם יִ֭כָּרֵת וְ/ע֣וֹד יַחֲלִ֑יף וְ֝/יֹֽנַקְתּ֗/וֹ לֹ֣א תֶחְדָּֽל־׃
STATEN
Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.
אִם יַזְקִ֣ין בָּ/אָ֣רֶץ שָׁרְשׁ֑/וֹ וּ֝/בֶ/עָפָ֗ר יָמ֥וּת גִּזְעֽ/וֹ־׃
STATEN
Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;
מֵ/רֵ֣יחַ מַ֣יִם יַפְרִ֑חַ וְ/עָשָׂ֖ה קָצִ֣יר כְּמוֹ נָֽטַע־׃
STATEN
Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.
וְ/גֶ֣בֶר יָ֭מוּת וַֽ/יֶּחֱלָ֑שׁ וַ/יִּגְוַ֖ע אָדָ֣ם וְ/אַיּֽ/וֹ׃
STATEN
Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
אָֽזְלוּ מַ֭יִם מִנִּי יָ֑ם וְ֝/נָהָ֗ר יֶחֱרַ֥ב וְ/יָבֵֽשׁ־־׃
STATEN
De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;
וְ/אִ֥ישׁ שָׁכַ֗ב וְֽ/לֹא יָ֫ק֥וּם עַד בִּלְתִּ֣י שָׁ֭מַיִם לֹ֣א יָקִ֑יצוּ וְ/לֹֽא יֵ֝עֹ֗רוּ מִ/שְּׁנָתָֽ/ם־־־׃
STATEN
Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.