Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
בְּ֭רִית כָּרַ֣תִּי לְ/עֵינָ֑/י וּ/מָ֥ה אֶ֝תְבּוֹנֵ֗ן עַל בְּתוּלָֽה־׃
STATEN
Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
וּ/מֶ֤ה חֵ֣לֶק אֱל֣וֹהַּ מִ/מָּ֑עַל וְֽ/נַחֲלַ֥ת שַׁ֝דַּ֗י מִ/מְּרֹמִֽים׀׃
STATEN
Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
הֲ/לֹא אֵ֥יד לְ/עַוָּ֑ל וְ֝/נֵ֗כֶר לְ/פֹ֣עֲלֵי אָֽוֶן־׃
STATEN
Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
הֲ/לֹא ה֭וּא יִרְאֶ֣ה דְרָכָ֑/י וְֽ/כָל צְעָדַ֥/י יִסְפּֽוֹר־־׃
STATEN
Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
אִם הָלַ֥כְתִּי עִם שָׁ֑וְא וַ/תַּ֖חַשׁ עַל מִרְמָ֣ה רַגְלִֽ/י־־־׃
STATEN
Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
יִשְׁקְלֵ֥/נִי בְ/מֹאזְנֵי צֶ֑דֶק וְ/יֵדַ֥ע אֱ֝ל֗וֹהַּ תֻּמָּתִֽ/י־׃
STATEN
Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
אִ֥ם תִּטֶּ֣ה אַשֻּׁרִ/י֮ מִנִּ֪י הַ֫/דָּ֥רֶךְ וְ/אַחַ֣ר עֵ֭ינַ/י הָלַ֣ךְ לִבִּ֑/י וּ֝/בְ/כַפַּ֗/י דָּ֣בַק מֻאֽוּם׃פ
STATEN
Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
אֶ֭זְרְעָה וְ/אַחֵ֣ר יֹאכֵ֑ל וְֽ/צֶאֱצָאַ֥/י יְשֹׁרָֽשׁוּ׃
STATEN
Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!
אִם נִפְתָּ֣ה לִ֭בִּ/י עַל אִשָּׁ֑ה וְ/עַל פֶּ֖תַח רֵעִ֣/י אָרָֽבְתִּי־־־׃
STATEN
Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
תִּטְחַ֣ן לְ/אַחֵ֣ר אִשְׁתִּ֑/י וְ֝/עָלֶ֗י/הָ יִכְרְע֥וּ/ן אֲחֵרִֽין׃
STATEN
Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
כִּי הוא זִמָּ֑ה ו/היא עָוֺ֥ן פְּלִילִֽים־׃ הִ֥יא וְ֝/ה֗וּא
STATEN
Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
כִּ֤י אֵ֣שׁ הִ֭יא עַד אֲבַדּ֣וֹן תֹּאכֵ֑ל וּֽ/בְ/כָל תְּב֖וּאָתִ֣/י תְשָׁרֵֽשׁ־־׃
STATEN
Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.