Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
הֲ/יָדַ֗עְתָּ עֵ֭ת לֶ֣דֶת יַעֲלֵי סָ֑לַע חֹלֵ֖ל אַיָּל֣וֹת תִּשְׁמֹֽר־׃
STATEN
Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
תִּסְפֹּ֣ר יְרָחִ֣ים תְּמַלֶּ֑אנָה וְ֝/יָדַ֗עְתָּ עֵ֣ת לִדְתָּֽ/נָה׃
STATEN
Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
תִּ֭כְרַעְנָה יַלְדֵי/הֶ֣ן תְּפַלַּ֑חְנָה חֶבְלֵי/הֶ֥ם תְּשַׁלַּֽחְנָה׃
STATEN
Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?
יַחְלְמ֣וּ בְ֭נֵי/הֶם יִרְבּ֣וּ בַ/בָּ֑ר יָ֝צְא֗וּ וְ/לֹא שָׁ֥בוּ לָֽ/מוֹ־׃
STATEN
Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
מִֽי שִׁלַּ֣ח פֶּ֣רֶא חָפְשִׁ֑י וּ/מֹסְר֥וֹת עָ֝ר֗וֹד מִ֣י פִתֵּֽחַ־׃
STATEN
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
אֲשֶׁר שַׂ֣מְתִּי עֲרָבָ֣ה בֵית֑/וֹ וּֽ/מִשְׁכְּנוֹתָ֥י/ו מְלֵֽחָה־׃
STATEN
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
יִ֭שְׂחַק לַ/הֲמ֣וֹן קִרְיָ֑ה תְּשֻׁא֥וֹת נ֝וֹגֵ֗שׂ לֹ֣א יִשְׁמָֽע׃
STATEN
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
יְת֣וּר הָרִ֣ים מִרְעֵ֑/הוּ וְ/אַחַ֖ר כָּל יָר֣וֹק יִדְרֽוֹשׁ־׃
STATEN
Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
הֲ/יֹ֣אבֶה רֵּ֣ים עָבְדֶ֑/ךָ אִם יָ֝לִ֗ין עַל אֲבוּסֶֽ/ךָ־־׃
STATEN
Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
הֲֽ/תִקְשָׁר רֵ֭ים בְּ/תֶ֣לֶם עֲבֹת֑/וֹ אִם יְשַׂדֵּ֖ד עֲמָקִ֣ים אַחֲרֶֽי/ךָ־־׃
STATEN
Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
הֲֽ/תִבְטַח בּ֭/וֹ כִּי רַ֣ב כֹּח֑/וֹ וְ/תַעֲזֹ֖ב אֵלָ֣י/ו יְגִיעֶֽ/ךָ־־׃
STATEN
Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
הֲ/תַאֲמִ֣ין בּ֭/וֹ כִּי ישוב זַרְעֶ֑/ךָ וְֽ/גָרְנְ/ךָ֥ יֶאֱסֹֽף יָשִׁ֣יב־׃
STATEN
Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?