KETUVIM

Job 12

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּ֥עַן אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Maar Job antwoordde en zeide:

2
אָ֭מְנָם כִּ֣י אַתֶּם עָ֑ם וְ֝/עִמָּ/כֶ֗ם תָּמ֥וּת חָכְמָֽה
STATEN

Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

3
גַּם לִ֤/י לֵבָ֨ב כְּֽמוֹ/כֶ֗ם לֹא נֹפֵ֣ל אָנֹכִ֣י מִ/כֶּ֑ם וְ/אֶת מִי אֵ֥ין כְּמוֹ אֵֽלֶּה
STATEN

Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

4
שְׂחֹ֤ק לְ/רֵעֵ֨/הוּ אֶֽהְיֶ֗ה קֹרֵ֣א לֶ֭/אֱלוֹהַּ וַֽ/יַּעֲנֵ֑/הוּ שְׂ֝ח֗וֹק צַדִּ֥יק תָּמִֽים
STATEN

Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.

5
לַ/פִּ֣יד בּ֭וּז לְ/עַשְׁתּ֣וּת שַׁאֲנָ֑ן נָ֝כ֗וֹן לְ/מ֣וֹעֲדֵי רָֽגֶל
STATEN

Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

6
יִשְׁלָ֤יוּ אֹֽהָלִ֨ים לְ/שֹׁ֥דְדִ֗ים וּֽ֭/בַטֻּחוֹת לְ/מַרְגִּ֣יזֵי אֵ֑ל לַ/אֲשֶׁ֤ר הֵבִ֖יא אֱל֣וֹהַּ בְּ/יָדֽ/וֹ
STATEN

De tenten der verwoesters hebben rust, en die God tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

7
וְֽ/אוּלָ֗ם שְׁאַל נָ֣א בְהֵמ֣וֹת וְ/תֹרֶ֑/ךָּ וְ/ע֥וֹף הַ֝/שָּׁמַ֗יִם וְ/יַגֶּד לָֽ/ךְ
STATEN

En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

8
א֤וֹ שִׂ֣יחַ לָ/אָ֣רֶץ וְ/תֹרֶ֑/ךָּ וִֽ/יסַפְּר֥וּ לְ֝/ךָ֗ דְּגֵ֣י הַ/יָּֽם
STATEN

Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.

9
מִ֭י לֹא יָדַ֣ע בְּ/כָל אֵ֑לֶּה כִּ֥י יַד יְ֝הוָה עָ֣שְׂתָה זֹּֽאת
STATEN

Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?

10
אֲשֶׁ֣ר בְּ֭/יָד/וֹ נֶ֣פֶשׁ כָּל חָ֑י וְ֝/ר֗וּחַ כָּל בְּשַׂר אִֽישׁ
STATEN

In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.

11
הֲ/לֹא אֹ֭זֶן מִלִּ֣ין תִּבְחָ֑ן וְ֝/חֵ֗ךְ אֹ֣כֶל יִטְעַם לֽ/וֹ
STATEN

Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?

12
בִּֽ/ישִׁישִׁ֥ים חָכְמָ֑ה וְ/אֹ֖רֶךְ יָמִ֣ים תְּבוּנָֽה
STATEN

In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

13
עִ֭מּ/וֹ חָכְמָ֣ה וּ/גְבוּרָ֑ה ל֝֗/וֹ עֵצָ֥ה וּ/תְבוּנָֽה
STATEN

Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.

14
הֵ֣ן יַ֭הֲרוֹס וְ/לֹ֣א יִבָּנֶ֑ה יִסְגֹּ֥ר עַל אִ֝֗ישׁ וְ/לֹ֣א יִפָּתֵֽחַ
STATEN

Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.

15
הֵ֤ן יַעְצֹ֣ר בַּ/מַּ֣יִם וְ/יִבָ֑שׁוּ וִֽ֝/ישַׁלְּחֵ֗/ם וְ/יַ֖הַפְכוּ אָֽרֶץ
STATEN

Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

16
עִ֭מּ/וֹ עֹ֣ז וְ/תֽוּשִׁיָּ֑ה ל֝֗/וֹ שֹׁגֵ֥ג וּ/מַשְׁגֶּֽה
STATEN

Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.

17
מוֹלִ֣יךְ יוֹעֲצִ֣ים שׁוֹלָ֑ל וְֽ/שֹׁפְטִ֥ים יְהוֹלֵֽל
STATEN

Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

18
מוּסַ֣ר מְלָכִ֣ים פִּתֵּ֑חַ וַ/יֶּאְסֹ֥ר אֵ֝ז֗וֹר בְּ/מָתְנֵי/הֶֽם
STATEN

Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.

19
מוֹלִ֣יךְ כֹּהֲנִ֣ים שׁוֹלָ֑ל וְ/אֵֽתָנִ֣ים יְסַלֵּֽף
STATEN

Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.

20
מֵסִ֣יר שָׂ֭פָה לְ/נֶאֱמָנִ֑ים וְ/טַ֖עַם זְקֵנִ֣ים יִקָּֽח
STATEN

Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

21
שׁוֹפֵ֣ךְ בּ֭וּז עַל נְדִיבִ֑ים וּ/מְזִ֖יחַ אֲפִיקִ֣ים רִפָּֽה
STATEN

Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.

22
מְגַלֶּ֣ה עֲ֭מֻקוֹת מִנִּי חֹ֑שֶׁךְ וַ/יֹּצֵ֖א לָ/א֣וֹר צַלְמָֽוֶת
STATEN

Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.

23
מַשְׂגִּ֣יא לַ֭/גּוֹיִם וַֽ/יְאַבְּדֵ֑/ם שֹׁטֵ֥חַ לַ֝/גּוֹיִ֗ם וַ/יַּנְחֵֽ/ם
STATEN

Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

24
מֵסִ֗יר לֵ֭ב רָאשֵׁ֣י עַם הָ/אָ֑רֶץ וַ֝/יַּתְעֵ֗/ם בְּ/תֹ֣הוּ לֹא דָֽרֶךְ
STATEN

Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

25
יְמַֽשְׁשׁוּ חֹ֥שֶׁךְ וְ/לֹא א֑וֹר וַ֝/יַּתְעֵ֗/ם כַּ/שִּׁכּֽוֹר
STATEN

Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.