Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ/יֹּ֣סֶף אִ֭יּוֹב שְׂאֵ֥ת מְשָׁל֗/וֹ וַ/יֹּאמַֽר׃
STATEN
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
מִֽי יִתְּנֵ֥/נִי כְ/יַרְחֵי קֶ֑דֶם כִּ֝/ימֵ֗י אֱל֣וֹהַּ יִשְׁמְרֵֽ/נִי־־׃
STATEN
Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
בְּ/הִלּ֣/וֹ נֵ֭ר/וֹ עֲלֵ֣י רֹאשִׁ֑/י לְ֝/אוֹר/וֹ אֵ֣לֶךְ חֹֽשֶׁךְ׃
STATEN
Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
כַּ/אֲשֶׁ֣ר הָ֭יִיתִי בִּ/ימֵ֣י חָרְפִּ֑/י בְּ/ס֥וֹד אֱ֝ל֗וֹהַּ עֲלֵ֣י אָהֳלִֽ/י׃
STATEN
Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
בְּ/ע֣וֹד שַׁ֭דַּי עִמָּדִ֑/י סְבִ֖יבוֹתַ֣/י נְעָרָֽ/י׃
STATEN
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
בִּ/רְחֹ֣ץ הֲלִיכַ֣/י בְּ/חֵמָ֑ה וְ/צ֥וּר יָצ֥וּק עִ֝מָּדִ֗/י פַּלְגֵי שָֽׁמֶן־׃
STATEN
Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
בְּ/צֵ֣אתִ/י שַׁ֣עַר עֲלֵי קָ֑רֶת בָּ֝/רְח֗וֹב אָכִ֥ין מוֹשָׁבִֽ/י־׃
STATEN
Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
רָא֣וּ/נִי נְעָרִ֣ים וְ/נֶחְבָּ֑אוּ וִֽ֝/ישִׁישִׁים קָ֣מוּ עָמָֽדוּ׃
STATEN
De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.
שָׂ֭רִים עָצְר֣וּ בְ/מִלִּ֑ים וְ֝/כַ֗ף יָשִׂ֥ימוּ לְ/פִי/הֶֽם׃
STATEN
De oversten hielden de woorden in, en legden de hand op hun mond.
קוֹל נְגִידִ֥ים נֶחְבָּ֑אוּ וּ֝/לְשׁוֹנָ֗/ם לְ/חִכָּ֥/ם דָּבֵֽקָה־׃
STATEN
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
כִּ֤י אֹ֣זֶן שָׁ֭מְעָה וַֽ/תְּאַשְּׁרֵ֑/נִי וְ/עַ֥יִן רָ֝אֲתָ֗ה וַ/תְּעִידֵֽ/נִי׃
STATEN
Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
כִּֽי אֲ֭מַלֵּט עָנִ֣י מְשַׁוֵּ֑עַ וְ֝/יָת֗וֹם וְֽ/לֹא עֹזֵ֥ר לֽ/וֹ־־׃
STATEN
Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.