KETUVIM

Job 36

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יֹּ֥סֶף אֱלִיה֗וּא וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Elíhu ging nog voort, en zeide:

2
כַּתַּר לִ֣/י זְ֭עֵיר וַ/אֲחַוֶּ֑/ךָּ כִּ֤י ע֖וֹד לֶ/אֱל֣וֹהַּ מִלִּֽים
STATEN

Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.

3
אֶשָּׂ֣א דֵ֭עִ/י לְ/מֵ/רָח֑וֹק וּ֝/לְ/פֹעֲלִ֗/י אֶֽתֵּֽן צֶֽדֶק
STATEN

Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.

4
כִּֽי אָ֭מְנָם לֹא שֶׁ֣קֶר מִלָּ֑/י תְּמִ֖ים דֵּע֣וֹת עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.

5
הֶן אֵ֣ל כַּ֭בִּיר וְ/לֹ֣א יִמְאָ֑ס כַּ֝בִּ֗יר כֹּ֣חַֽ לֵֽב
STATEN

Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.

6
לֹא יְחַיֶּ֥ה רָשָׁ֑ע וּ/מִשְׁפַּ֖ט עֲנִיִּ֣ים יִתֵּֽן
STATEN

Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.

7
לֹֽא יִגְרַ֥ע מִ/צַּדִּ֗יק עֵ֫ינָ֥י/ו וְ/אֶת מְלָכִ֥ים לַ/כִּסֵּ֑א וַ/יֹּשִׁיבֵ֥/ם לָ֝/נֶ֗צַח וַ/יִּגְבָּֽהוּ
STATEN

Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.

8
וְ/אִם אֲסוּרִ֥ים בַּ/זִּקִּ֑ים יִ֝לָּכְד֗וּ/ן בְּ/חַבְלֵי עֹֽנִי
STATEN

En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vastgehouden worden met banden der ellende;

9
וַ/יַּגֵּ֣ד לָ/הֶ֣ם פָּעֳלָ֑/ם וּ֝/פִשְׁעֵי/הֶ֗ם כִּ֣י יִתְגַּבָּֽרוּ
STATEN

Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;

10
וַ/יִּ֣גֶל אָ֭זְנָ/ם לַ/מּוּסָ֑ר וַ֝/יֹּ֗אמֶר כִּֽי יְשֻׁב֥וּ/ן מֵ/אָֽוֶן
STATEN

En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.

11
אִֽם יִשְׁמְע֗וּ וְֽ/יַ֫עֲבֹ֥דוּ יְכַלּ֣וּ יְמֵי/הֶ֣ם בַּ/טּ֑וֹב וּ֝/שְׁנֵי/הֶ֗ם בַּ/נְּעִימִֽים
STATEN

Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.

12
וְ/אִם לֹ֣א יִ֭שְׁמְעוּ בְּ/שֶׁ֣לַח יַעֲבֹ֑רוּ וְ֝/יִגְוְע֗וּ כִּ/בְלִי דָֽעַת
STATEN

Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis.

13
וְֽ/חַנְפֵי לֵ֭ב יָשִׂ֣ימוּ אָ֑ף לֹ֥א יְ֝שַׁוְּע֗וּ כִּ֣י אֲסָרָֽ/ם
STATEN

En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.

14
תָּמֹ֣ת בַּ/נֹּ֣עַר נַפְשָׁ֑/ם וְ֝/חַיָּתָ֗/ם בַּ/קְּדֵשִֽׁים
STATEN

Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.

15
יְחַלֵּ֣ץ עָנִ֣י בְ/עָנְי֑/וֹ וְ/יִ֖גֶל בַּ/לַּ֣חַץ אָזְנָֽ/ם
STATEN

Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.

16
וְ/אַ֤ף הֲסִיתְ/ךָ֨ מִ/פִּי צָ֗ר רַ֭חַב לֹא מוּצָ֣ק תַּחְתֶּ֑י/הָ וְ/נַ֥חַת שֻׁ֝לְחָנְ/ךָ֗ מָ֣לֵא דָֽשֶׁן
STATEN

Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.

17
וְ/דִין רָשָׁ֥ע מָלֵ֑אתָ דִּ֖ין וּ/מִשְׁפָּ֣ט יִתְמֹֽכוּ
STATEN

Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.

18
כִּֽי חֵ֭מָה פֶּן יְסִֽיתְ/ךָ֣ בְ/סָ֑פֶק וְ/רָב כֹּ֝֗פֶר אַל יַטֶּֽ/ךָּ
STATEN

Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

19
הֲ/יַעֲרֹ֣ךְ שׁ֭וּעֲ/ךָ לֹ֣א בְ/צָ֑ר וְ֝/כֹ֗ל מַאֲמַצֵּי כֹֽחַ
STATEN

Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?

20
אַל תִּשְׁאַ֥ף הַ/לָּ֑יְלָה לַ/עֲל֖וֹת עַמִּ֣ים תַּחְתָּֽ/ם
STATEN

Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.

21
הִ֭שָּׁמֶר אַל תֵּ֣פֶן אֶל אָ֑וֶן כִּֽי עַל זֶ֝֗ה בָּחַ֥רְתָּ מֵ/עֹֽנִי
STATEN

Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren hebt, uit oorzake van de ellende.

22
הֶן אֵ֭ל יַשְׂגִּ֣יב בְּ/כֹח֑/וֹ מִ֖י כָמֹ֣/הוּ מוֹרֶֽה
STATEN

Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?

23
מִֽי פָקַ֣ד עָלָ֣י/ו דַּרְכּ֑/וֹ וּ/מִֽי אָ֝מַ֗ר פָּעַ֥לְתָּ עַוְלָֽה
STATEN

Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?

24
זְ֭כֹר כִּֽי תַשְׂגִּ֣יא פָעֳל֑/וֹ אֲשֶׁ֖ר שֹׁרְר֣וּ אֲנָשִֽׁים
STATEN

Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.

25
כָּל אָדָ֥ם חָֽזוּ ב֑/וֹ אֱ֝נ֗וֹשׁ יַבִּ֥יט מֵ/רָחֽוֹק
STATEN

Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.

26
הֶן אֵ֣ל שַׂ֭גִּיא וְ/לֹ֣א נֵדָ֑ע מִסְפַּ֖ר שָׁנָ֣י/ו וְ/לֹא חֵֽקֶר
STATEN

Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.

27
כִּ֭י יְגָרַ֣ע נִטְפֵי מָ֑יִם יָזֹ֖קּוּ מָטָ֣ר לְ/אֵדֽ/וֹ
STATEN

Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

28
אֲשֶֽׁר יִזְּל֥וּ שְׁחָקִ֑ים יִ֝רְעֲפ֗וּ עֲלֵ֤י אָדָ֬ם רָֽב
STATEN

Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

29
אַ֣ף אִם יָ֭בִין מִפְרְשֵׂי עָ֑ב תְּ֝שֻׁא֗וֹת סֻכָּתֽ/וֹ
STATEN

Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

30
הֵן פָּרַ֣שׂ עָלָ֣י/ו אוֹר֑/וֹ וְ/שָׁרְשֵׁ֖י הַ/יָּ֣ם כִּסָּֽה
STATEN

Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

31
כִּי בָ֭/ם יָדִ֣ין עַמִּ֑ים יִֽתֶּן אֹ֥כֶל לְ/מַכְבִּֽיר
STATEN

Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.

32
עַל כַּפַּ֥יִם כִּסָּה א֑וֹר וַ/יְצַ֖ו עָלֶ֣י/הָ בְ/מַפְגִּֽיעַ
STATEN

Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

33
יַגִּ֣יד עָלָ֣י/ו רֵע֑/וֹ מִ֝קְנֶ֗ה אַ֣ף עַל עוֹלֶֽה
STATEN

Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp.