KETUVIM

Job 16

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּ֥עַן אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Maar Job antwoordde en zeide:

2
שָׁמַ֣עְתִּי כְ/אֵ֣לֶּה רַבּ֑וֹת מְנַחֲמֵ֖י עָמָ֣ל כֻּלְּ/כֶֽם
STATEN

Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

3
הֲ/קֵ֥ץ לְ/דִבְרֵי ר֑וּחַ א֥וֹ מַה יַּ֝מְרִֽיצְ/ךָ֗ כִּ֣י תַעֲנֶֽה
STATEN

Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?

4
גַּ֤ם אָנֹכִי֮ כָּ/כֶ֪ם אֲדַ֫בֵּ֥רָה ל֤וּ יֵ֪שׁ נַפְשְׁ/כֶ֡ם תַּ֤חַת נַפְשִׁ֗/י אַחְבִּ֣ירָה עֲלֵי/כֶ֣ם בְּ/מִלִּ֑ים וְ/אָנִ֥יעָה עֲ֝לֵי/כֶ֗ם בְּמ֣וֹ רֹאשִֽׁ/י
STATEN

Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?

5
אֲאַמִּצְ/כֶ֥ם בְּמוֹ פִ֑/י וְ/נִ֖יד שְׂפָתַ֣/י יַחְשֹֽׂךְ
STATEN

Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.

6
אִֽם אֲ֭דַבְּרָה לֹא יֵחָשֵׂ֣ךְ כְּאֵבִ֑/י וְ֝/אַחְדְּלָ֗ה מַה מִ/נִּ֥י יַהֲלֹֽךְ
STATEN

Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

7
אַךְ עַתָּ֥ה הֶלְאָ֑/נִי הֲ֝שִׁמּ֗וֹתָ כָּל עֲדָתִֽ/י
STATEN

Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

8
וַֽ֭/תִּקְמְטֵ/נִי לְ/עֵ֣ד הָיָ֑ה וַ/יָּ֥קָם בִּ֥/י כַ֝חֲשִׁ֗/י בְּ/פָנַ֥/י יַעֲנֶֽה
STATEN

Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

9
אַפּ֤/וֹ טָרַ֨ף וַֽ/יִּשְׂטְמֵ֗/נִי חָרַ֣ק עָלַ֣/י בְּ/שִׁנָּ֑י/ו צָרִ֓/י יִלְט֖וֹשׁ עֵינָ֣י/ו לִֽ/י
STATEN

Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn Wederpartijder scherpt Zijn ogen tegen mij.

10
פָּעֲר֬וּ עָלַ֨/י בְּ/פִי/הֶ֗ם בְּ֭/חֶרְפָּה הִכּ֣וּ לְחָיָ֑/י יַ֝֗חַד עָלַ֥/י יִתְמַלָּאֽוּ/ן
STATEN

Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

11
יַסְגִּירֵ֣/נִי אֵ֭ל אֶ֣ל עֲוִ֑יל וְ/עַל יְדֵ֖י רְשָׁעִ֣ים יִרְטֵֽ/נִי
STATEN

God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

12
שָׁ֘לֵ֤ו הָיִ֨יתִי וַֽ/יְפַרְפְּרֵ֗/נִי וְ/אָחַ֣ז בְּ֭/עָרְפִּ/י וַֽ/יְפַצְפְּצֵ֑/נִי וַ/יְקִימֵ֥/נִי ל֝֗/וֹ לְ/מַטָּרָֽה
STATEN

Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.

13
יָ֘סֹ֤בּוּ עָלַ֨/י רַבָּ֗י/ו יְפַלַּ֣ח כִּ֭לְיוֹתַ/י וְ/לֹ֣א יַחְמ֑וֹל יִשְׁפֹּ֥ךְ לָ֝/אָ֗רֶץ מְרֵרָֽתִ/י
STATEN

Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

14
יִפְרְצֵ֣/נִי פֶ֭רֶץ עַל פְּנֵי פָ֑רֶץ יָרֻ֖ץ עָלַ֣/י כְּ/גִבּֽוֹר
STATEN

Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.

15
שַׂ֣ק תָּ֭פַרְתִּי עֲלֵ֣י גִלְדִּ֑/י וְ/עֹלַ֖לְתִּי בֶ/עָפָ֣ר קַרְנִֽ/י
STATEN

Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.

16
פָּנַ֣/י חמרמרה מִנִּי בֶ֑כִי וְ/עַ֖ל עַפְעַפַּ֣/י צַלְמָֽוֶת חֳ֭מַרְמְרוּ
STATEN

Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.

17
עַ֭ל לֹא חָמָ֣ס בְּ/כַפָּ֑/י וּֽ/תְפִלָּתִ֥/י זַכָּֽה
STATEN

Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.

18
אֶ֭רֶץ אַל תְּכַסִּ֣י דָמִ֑/י וְֽ/אַל יְהִ֥י מָ֝ק֗וֹם לְ/זַעֲקָתִֽ/י
STATEN

O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.

19
גַּם עַ֭תָּה הִנֵּה בַ/שָּׁמַ֣יִם עֵדִ֑/י וְ֝/שָׂהֲדִ֗/י בַּ/מְּרוֹמִֽים
STATEN

Ook nu, zie, in den hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten.

20
מְלִיצַ֥/י רֵעָ֑/י אֶל אֱ֝ל֗וֹהַ דָּלְפָ֥ה עֵינִֽ/י
STATEN

Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.

21
וְ/יוֹכַ֣ח לְ/גֶ֣בֶר עִם אֱל֑וֹהַּ וּֽ/בֶן אָדָ֥ם לְ/רֵעֵֽ/הוּ
STATEN

Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.

22
כִּֽי שְׁנ֣וֹת מִסְפָּ֣ר יֶאֱתָ֑יוּ וְ/אֹ֖רַח לֹא אָשׁ֣וּב אֶהֱלֹֽךְ
STATEN

Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henengaan, waardoor ik niet zal wederkeren.