KETUVIM

Job 17

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
רוּחִ֣/י חֻ֭בָּלָה יָמַ֥/י נִזְעָ֗כוּ קְבָרִ֥ים לִֽ/י
STATEN

Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

2
אִם לֹ֣א הֲ֭תֻלִים עִמָּדִ֑/י וּ֝/בְ/הַמְּרוֹתָ֗/ם תָּלַ֥ן עֵינִֽ/י
STATEN

Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?

3
שִֽׂימָ/ה נָּ֭א עָרְבֵ֣/נִי עִמָּ֑/ךְ מִֽי ה֝֗וּא לְ/יָדִ֥/י יִתָּקֵֽעַ
STATEN

Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.

4
כִּֽי לִ֭בָּ/ם צָפַ֣נְתָּ מִּ/שָּׂ֑כֶל עַל כֵּ֝֗ן לֹ֣א תְרֹמֵֽם
STATEN

Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.

5
לְ֭/חֵלֶק יַגִּ֣יד רֵעִ֑ים וְ/עֵינֵ֖י בָנָ֣י/ו תִּכְלֶֽנָה
STATEN

Die met vleiïng den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.

6
וְֽ֭/הִצִּגַ/נִי לִ/מְשֹׁ֣ל עַמִּ֑ים וְ/תֹ֖פֶת לְ/פָנִ֣ים אֶֽהְיֶֽה
STATEN

Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

7
וַ/תֵּ֣כַהּ מִ/כַּ֣עַשׂ עֵינִ֑/י וִֽ/יצֻרַ֖/י כַּ/צֵּ֣ל כֻּלָּֽ/ם
STATEN

Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.

8
יָשֹׁ֣מּוּ יְשָׁרִ֣ים עַל זֹ֑את וְ֝/נָקִ֗י עַל חָנֵ֥ף יִתְעֹרָֽר
STATEN

De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;

9
וְ/יֹאחֵ֣ז צַדִּ֣יק דַּרְכּ֑/וֹ וּֽ/טֳהָר יָ֝דַ֗יִם יֹסִ֥יף אֹֽמֶץ
STATEN

En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.

10
וְֽ/אוּלָ֗ם כֻּלָּ֣/ם תָּ֭שֻׁבוּ וּ/בֹ֣אוּ נָ֑א וְ/לֹֽא אֶמְצָ֖א בָ/כֶ֣ם חָכָֽם
STATEN

Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.

11
יָמַ֣/י עָ֭בְרוּ זִמֹּתַ֣/י נִתְּק֑וּ מ֖וֹרָשֵׁ֣י לְבָבִֽ/י
STATEN

Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.

12
לַ֭יְלָה לְ/י֣וֹם יָשִׂ֑ימוּ א֝֗וֹר קָר֥וֹב מִ/פְּנֵי חֹֽשֶׁךְ
STATEN

Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.

13
אִם אֲ֭קַוֶּה שְׁא֣וֹל בֵּיתִ֑/י בַּ֝/חֹ֗שֶׁךְ רִפַּ֥דְתִּי יְצוּעָֽ/י
STATEN

Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

14
לַ/שַּׁ֣חַת קָ֭רָאתִי אָ֣בִ/י אָ֑תָּה אִמִּ֥/י וַ֝/אֲחֹתִ֗/י לָֽ/רִמָּֽה
STATEN

Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!

15
וְ֭/אַיֵּה אֵפ֣וֹ תִקְוָתִ֑/י וְ֝/תִקְוָתִ֗/י מִ֣י יְשׁוּרֶֽ/נָּה
STATEN

Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?

16
בַּדֵּ֣י שְׁאֹ֣ל תֵּרַ֑דְנָה אִם יַ֖חַד עַל עָפָ֣ר נָֽחַת
STATEN

Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.