KETUVIM

Job 21

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּ֥עַן אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Maar Job antwoordde en zeide:

2
שִׁמְע֣וּ שָׁ֭מוֹעַ מִלָּתִ֑/י וּ/תְהִי זֹ֝֗את תַּנְח֥וּמֹֽתֵי/כֶֽם
STATEN

Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

3
שָׂ֭אוּ/נִי וְ/אָנֹכִ֣י אֲדַבֵּ֑ר וְ/אַחַ֖ר דַּבְּרִ֣/י תַלְעִֽיג
STATEN

Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

4
הֶ֭/אָנֹכִי לְ/אָדָ֣ם שִׂיחִ֑/י וְ/אִם מַ֝דּ֗וּעַ לֹא תִקְצַ֥ר רוּחִֽ/י
STATEN

Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

5
פְּנוּ אֵלַ֥/י וְ/הָשַׁ֑מּוּ וְ/שִׂ֖ימוּ יָ֣ד עַל פֶּֽה
STATEN

Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

6
וְ/אִם זָכַ֥רְתִּי וְ/נִבְהָ֑לְתִּי וְ/אָחַ֥ז בְּ֝שָׂרִ֗/י פַּלָּצֽוּת
STATEN

Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.

7
מַדּ֣וּעַ רְשָׁעִ֣ים יִחְי֑וּ עָ֝תְק֗וּ גַּם גָּ֥בְרוּ חָֽיִל
STATEN

Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

8
זַרְעָ֤/ם נָכ֣וֹן לִ/פְנֵי/הֶ֣ם עִמָּ֑/ם וְ֝/צֶאֱצָאֵי/הֶ֗ם לְ/עֵינֵי/הֶֽם
STATEN

Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.

9
בָּתֵּי/הֶ֣ם שָׁל֣וֹם מִ/פָּ֑חַד וְ/לֹ֤א שֵׁ֖בֶט אֱל֣וֹהַּ עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.

10
שׁוֹר֣/וֹ עִ֭בַּר וְ/לֹ֣א יַגְעִ֑ל תְּפַלֵּ֥ט פָּ֝רָת֗/וֹ וְ/לֹ֣א תְשַׁכֵּֽל
STATEN

Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

11
יְשַׁלְּח֣וּ כַ֭/צֹּאן עֲוִילֵי/הֶ֑ם וְ֝/יַלְדֵי/הֶ֗ם יְרַקֵּדֽוּ/ן
STATEN

Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.

12
יִ֭שְׂאוּ כְּ/תֹ֣ף וְ/כִנּ֑וֹר וְ֝/יִשְׂמְח֗וּ לְ/ק֣וֹל עוּגָֽב
STATEN

Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

13
יבלו בַ/טּ֣וֹב יְמֵי/הֶ֑ם וּ֝/בְ/רֶ֗גַע שְׁא֣וֹל יֵחָֽתּוּ יְכַלּ֣וּ
STATEN

In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

14
וַ/יֹּאמְר֣וּ לָ֭/אֵל ס֣וּר מִמֶּ֑/נּוּ וְ/דַ֥עַת דְּ֝רָכֶ֗י/ךָ לֹ֣א חָפָֽצְנוּ
STATEN

Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

15
מַה שַׁדַּ֥י כִּֽי נַֽעַבְדֶ֑/נּוּ וּ/מַה נּ֝וֹעִ֗יל כִּ֣י נִפְגַּע בּֽ/וֹ
STATEN

Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?

16
הֵ֤ן לֹ֣א בְ/יָדָ֣/ם טוּבָ֑/ם עֲצַ֥ת רְ֝שָׁעִ֗ים רָ֣חֲקָה מֶֽ/נִּי
STATEN

Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.

17
כַּ/מָּ֤ה נֵר רְשָׁ֘עִ֤ים יִדְעָ֗ךְ וְ/יָבֹ֣א עָלֵ֣י/מוֹ אֵידָ֑/ם חֲ֝בָלִ֗ים יְחַלֵּ֥ק בְּ/אַפּֽ/וֹ
STATEN

Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

18
יִהְי֗וּ כְּ/תֶ֥בֶן לִ/פְנֵי ר֑וּחַ וּ֝/כְ/מֹ֗ץ גְּנָבַ֥תּ/וּ סוּפָֽה
STATEN

Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

19
אֱל֗וֹהַּ יִצְפֹּן לְ/בָנָ֥י/ו אוֹנ֑/וֹ יְשַׁלֵּ֖ם אֵלָ֣י/ו וְ/יֵדָֽע
STATEN

Dat God zijn geweld weglegt voor zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;

20
יִרְא֣וּ עינ/ו כִּיד֑/וֹ וּ/מֵ/חֲמַ֖ת שַׁדַּ֣י יִשְׁתֶּֽה עֵינָ֣י/ו
STATEN

Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!

21
כִּ֤י מַה חֶפְצ֣/וֹ בְּ/בֵית֣/וֹ אַחֲרָ֑י/ו וּ/מִסְפַּ֖ר חֳדָשָׁ֣י/ו חֻצָּֽצוּ
STATEN

Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?

22
הַ/לְ/אֵ֥ל יְלַמֶּד דָּ֑עַת וְ֝/ה֗וּא רָמִ֥ים יִשְׁפּֽוֹט
STATEN

Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

23
זֶ֗ה יָ֭מוּת בְּ/עֶ֣צֶם תֻּמּ֑/וֹ כֻּ֝לּ֗/וֹ שַׁלְאֲנַ֥ן וְ/שָׁלֵֽיו
STATEN

Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;

24
עֲ֭טִינָי/ו מָלְא֣וּ חָלָ֑ב וּ/מֹ֖חַ עַצְמוֹתָ֣י/ו יְשֻׁקֶּֽה
STATEN

Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.

25
וְ/זֶ֗ה יָ֭מוּת בְּ/נֶ֣פֶשׁ מָרָ֑ה וְ/לֹֽא אָ֝כַ֗ל בַּ/טּוֹבָֽה
STATEN

De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

26
יַ֭חַד עַל עָפָ֣ר יִשְׁכָּ֑בוּ וְ֝/רִמָּ֗ה תְּכַסֶּ֥ה עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.

27
הֵ֣ן יָ֭דַעְתִּי מַחְשְׁבֽוֹתֵי/כֶ֑ם וּ֝/מְזִמּ֗וֹת עָלַ֥/י תַּחְמֹֽסוּ
STATEN

Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.

28
כִּ֤י תֹֽאמְר֗וּ אַיֵּ֥ה בֵית נָדִ֑יב וְ֝/אַיֵּ֗ה אֹ֤הֶל מִשְׁכְּנ֬וֹת רְשָׁעִֽים
STATEN

Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?

29
הֲ/לֹ֣א שְׁ֭אֶלְתֶּם ע֣וֹבְרֵי דָ֑רֶךְ וְ֝/אֹתֹתָ֗/ם לֹ֣א תְנַכֵּֽרוּ
STATEN

Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?

30
כִּ֤י לְ/י֣וֹם אֵ֭יד יֵחָ֣שֶׂךְ רָ֑ע לְ/י֖וֹם עֲבָר֣וֹת יוּבָֽלוּ
STATEN

Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.

31
מִֽי יַגִּ֣יד עַל פָּנָ֣י/ו דַּרְכּ֑/וֹ וְ/הֽוּא עָ֝שָׂ֗ה מִ֣י יְשַׁלֶּם לֽ/וֹ
STATEN

Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?

32
וְ֭/הוּא לִ/קְבָר֣וֹת יוּבָ֑ל וְֽ/עַל גָּדִ֥ישׁ יִשְׁקֽוֹד
STATEN

Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.

33
מָֽתְקוּ ל֗/וֹ רִגְבֵ֫י נָ֥חַל וְ֭/אַחֲרָי/ו כָּל אָדָ֣ם יִמְשׁ֑וֹךְ וּ֝/לְ/פָנָ֗י/ו אֵ֣ין מִסְפָּֽר
STATEN

De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die vóór hem geweest zijn, is geen getal.

34
וְ֭/אֵיךְ תְּנַחֲמ֣וּ/נִי הָ֑בֶל וּ֝/תְשֽׁוּבֹתֵי/כֶ֗ם נִשְׁאַר מָֽעַל
STATEN

Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?