KETUVIM

Job 26

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּ֥עַן אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Maar Job antwoordde en zeide:

2
מֶה עָזַ֥רְתָּ לְ/לֹא כֹ֑חַ ה֝וֹשַׁ֗עְתָּ זְר֣וֹעַ לֹא עֹֽז
STATEN

Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is?

3
מַה יָּ֭עַצְתָּ לְ/לֹ֣א חָכְמָ֑ה וְ֝/תוּשִׁיָּ֗ה לָ/רֹ֥ב הוֹדָֽעְתָּ
STATEN

Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?

4
אֶת מִ֭י הִגַּ֣דְתָּ מִלִּ֑ין וְ/נִשְׁמַת מִ֝י יָצְאָ֥ה מִמֶּֽ/ךָּ
STATEN

Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?

5
הָ/רְפָאִ֥ים יְחוֹלָ֑לוּ מִ/תַּ֥חַת מַ֝֗יִם וְ/שֹׁכְנֵי/הֶֽם
STATEN

De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.

6
עָר֣וֹם שְׁא֣וֹל נֶגְדּ֑/וֹ וְ/אֵ֥ין כְּ֝ס֗וּת לָֽ/אֲבַדּֽוֹן
STATEN

De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.

7
נֹטֶ֣ה צָפ֣וֹן עַל תֹּ֑הוּ תֹּ֥לֶה אֶ֝֗רֶץ עַל בְּלִי מָֽה
STATEN

Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.

8
צֹרֵֽר מַ֥יִם בְּ/עָבָ֑י/ו וְ/לֹא נִבְקַ֖ע עָנָ֣ן תַּחְתָּֽ/ם
STATEN

Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

9
מְאַחֵ֥ז פְּנֵי כִסֵּ֑ה פַּרְשֵׁ֖ז עָלָ֣י/ו עֲנָנֽ/וֹ
STATEN

Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

10
חֹֽק חָ֭ג עַל פְּנֵי מָ֑יִם עַד תַּכְלִ֖ית א֣וֹר עִם חֹֽשֶׁךְ
STATEN

Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

11
עַמּוּדֵ֣י שָׁמַ֣יִם יְרוֹפָ֑פוּ וְ֝/יִתְמְה֗וּ מִ/גַּעֲרָתֽ/וֹ
STATEN

De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.

12
בְּ֭/כֹח/וֹ רָגַ֣ע הַ/יָּ֑ם ו/ב/תובנת/ו מָ֣חַץ רָֽהַב וּ֝/בִ/תְבוּנָת֗/וֹ
STATEN

Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

13
בְּ֭/רוּח/וֹ שָׁמַ֣יִם שִׁפְרָ֑ה חֹֽלֲלָ֥ה יָ֝ד֗/וֹ נָחָ֥שׁ בָּרִֽיחַ
STATEN

Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.

14
הֶן אֵ֤לֶּה קְצ֬וֹת דרכ/ו וּ/מַה שֵּׁ֣מֶץ דָּ֭בָר נִשְׁמַע בּ֑/וֹ וְ/רַ֥עַם גבורת/ו מִ֣י יִתְבּוֹנָֽן דְּרָכָ֗י/ו גְּ֝בוּרוֹתָ֗י/ו
STATEN

Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?