KETUVIM

Job 27

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יֹּ֣סֶף אִ֭יּוֹב שְׂאֵ֥ת מְשָׁל֗/וֹ וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

2
חַי אֵ֭ל הֵסִ֣יר מִשְׁפָּטִ֑/י וְ֝/שַׁדַּ֗י הֵמַ֥ר נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!

3
כִּֽי כָל ע֣וֹד נִשְׁמָתִ֣/י בִ֑/י וְ/ר֖וּחַ אֱל֣וֹהַּ בְּ/אַפִּֽ/י
STATEN

Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;

4
אִם תְּדַבֵּ֣רְנָה שְׂפָתַ֣/י עַוְלָ֑ה וּ֝/לְשׁוֹנִ֗/י אִם יֶהְגֶּ֥ה רְמִיָּֽה
STATEN

Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!

5
חָלִ֣ילָ/ה לִּ/י֮ אִם אַצְדִּ֪יק אֶ֫תְ/כֶ֥ם עַד אֶגְוָ֑ע לֹא אָסִ֖יר תֻּמָּתִ֣/י מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.

6
בְּ/צִדְקָתִ֣/י הֶ֭חֱזַקְתִּי וְ/לֹ֣א אַרְפֶּ֑/הָ לֹֽא יֶחֱרַ֥ף לְ֝בָבִ֗/י מִ/יָּמָֽ/י
STATEN

Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.

7
יְהִ֣י כְ֭/רָשָׁע אֹ֣יְבִ֑/י וּ/מִתְקוֹמְמִ֥/י כְ/עַוָּֽל
STATEN

Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

8
כִּ֤י מַה תִּקְוַ֣ת חָ֭נֵף כִּ֣י יִבְצָ֑ע כִּ֤י יֵ֖שֶׁל אֱל֣וֹהַּ נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?

9
הַֽ֭/צַעֲקָת/וֹ יִשְׁמַ֥ע אֵ֑ל כִּֽי תָב֖וֹא עָלָ֣י/ו צָרָֽה
STATEN

Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?

10
אִם עַל שַׁדַּ֥י יִתְעַנָּ֑ג יִקְרָ֖א אֱל֣וֹהַּ בְּ/כָל עֵֽת
STATEN

Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?

11
אוֹרֶ֣ה אֶתְ/כֶ֣ם בְּ/יַד אֵ֑ל אֲשֶׁ֥ר עִם שַׁ֝דַּ֗י לֹ֣א אֲכַחֵֽד
STATEN

Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.

12
הֵן אַתֶּ֣ם כֻּלְּ/כֶ֣ם חֲזִיתֶ֑ם וְ/לָ/מָּה זֶּ֝֗ה הֶ֣בֶל תֶּהְבָּֽלוּ
STATEN

Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

13
זֶ֤ה חֵֽלֶק אָדָ֖ם רָשָׁ֥ע עִם אֵ֑ל וְֽ/נַחֲלַ֥ת עָ֝רִיצִ֗ים מִ/שַּׁדַּ֥י יִקָּֽחוּ
STATEN

Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.

14
אִם יִרְבּ֣וּ בָנָ֣י/ו לְמוֹ חָ֑רֶב וְ֝/צֶאֱצָאָ֗י/ו לֹ֣א יִשְׂבְּעוּ לָֽחֶם
STATEN

Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.

15
שריד/ו בַּ/מָּ֣וֶת יִקָּבֵ֑רוּ וְ֝/אַלְמְנֹתָ֗י/ו לֹ֣א תִבְכֶּֽינָה שְׂ֭רִידָי/ו
STATEN

Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.

16
אִם יִצְבֹּ֣ר כֶּ/עָפָ֣ר כָּ֑סֶף וְ֝/כַ/חֹ֗מֶר יָכִ֥ין מַלְבּֽוּשׁ
STATEN

Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;

17
יָ֭כִין וְ/צַדִּ֣יק יִלְבָּ֑שׁ וְ֝/כֶ֗סֶף נָקִ֥י יַחֲלֹֽק
STATEN

Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.

18
בָּנָ֣ה כָ/עָ֣שׁ בֵּית֑/וֹ וּ֝/כְ/סֻכָּ֗ה עָשָׂ֥ה נֹצֵֽר
STATEN

Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.

19
עָשִׁ֣יר יִ֭שְׁכַּב וְ/לֹ֣א יֵאָסֵ֑ף עֵינָ֖י/ו פָּקַ֣ח וְ/אֵינֶֽ/נּוּ
STATEN

Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.

20
תַּשִּׂיגֵ֣/הוּ כַ֭/מַּיִם בַּלָּה֑וֹת לַ֝֗יְלָה גְּנָבַ֥תּ/וּ סוּפָֽה
STATEN

Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

21
יִשָּׂאֵ֣/הוּ קָדִ֣ים וְ/יֵלַ֑ךְ וִֽ֝/ישָׂעֲרֵ֗/הוּ מִ/מְּקֹמֽ/וֹ
STATEN

De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

22
וְ/יַשְׁלֵ֣ךְ עָ֭לָי/ו וְ/לֹ֣א יַחְמֹ֑ל מִ֝/יָּד֗/וֹ בָּר֥וֹחַ יִבְרָֽח
STATEN

En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.

23
יִשְׂפֹּ֣ק עָלֵ֣י/מוֹ כַפֵּ֑י/מוֹ וְ/יִשְׁרֹ֥ק עָ֝לָ֗י/ו מִ/מְּקֹמֽ/וֹ
STATEN

Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.