KETUVIM

Job 28

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
כִּ֤י יֵ֣שׁ לַ/כֶּ֣סֶף מוֹצָ֑א וּ֝/מָק֗וֹם לַ/זָּהָ֥ב יָזֹֽקּוּ
STATEN

Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.

2
בַּ֭רְזֶל מֵ/עָפָ֣ר יֻקָּ֑ח וְ֝/אֶ֗בֶן יָצ֥וּק נְחוּשָֽׁה
STATEN

Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.

3
קֵ֤ץ שָׂ֤ם לַ/חֹ֗שֶׁךְ וּֽ/לְ/כָל תַּ֭כְלִית ה֣וּא חוֹקֵ֑ר אֶ֖בֶן אֹ֣פֶל וְ/צַלְמָֽוֶת
STATEN

Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.

4
פָּ֤רַץ נַ֨חַל מֵֽ/עִם גָּ֗ר הַֽ/נִּשְׁכָּחִ֥ים מִנִּי רָ֑גֶל דַּ֖לּוּ מֵ/אֱנ֣וֹשׁ נָֽעוּ
STATEN

Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.

5
אֶ֗רֶץ מִמֶּ֥/נָּה יֵֽצֵא לָ֑חֶם וְ֝/תַחְתֶּ֗י/הָ נֶהְפַּ֥ךְ כְּמוֹ אֵֽשׁ
STATEN

Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.

6
מְקוֹם סַפִּ֥יר אֲבָנֶ֑י/הָ וְ/עַפְרֹ֖ת זָהָ֣ב לֽ/וֹ
STATEN

Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

7
נָ֭תִיב לֹֽא יְדָ֣ע/וֹ עָ֑יִט וְ/לֹ֥א שְׁ֝זָפַ֗תּ/וּ עֵ֣ין אַיָּֽה
STATEN

De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

8
לֹֽא הִדְרִיכֻ֥/הוּ בְנֵי שָׁ֑חַץ לֹֽא עָדָ֖ה עָלָ֣י/ו שָֽׁחַל
STATEN

De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

9
בַּֽ֭/חַלָּמִישׁ שָׁלַ֣ח יָד֑/וֹ הָפַ֖ךְ מִ/שֹּׁ֣רֶשׁ הָרִֽים
STATEN

Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

10
בַּ֭/צּוּרוֹת יְאֹרִ֣ים בִּקֵּ֑עַ וְ/כָל יְ֝קָ֗ר רָאֲתָ֥ה עֵינֽ/וֹ
STATEN

In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.

11
מִ֭/בְּכִי נְהָר֣וֹת חִבֵּ֑שׁ וְ֝/תַעֲלֻמָ֗הּ יֹ֣צִא אֽוֹר
STATEN

Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

12
וְֽ֭/הַ/חָכְמָה מֵ/אַ֣יִן תִּמָּצֵ֑א וְ/אֵ֥י זֶ֝ה מְק֣וֹם בִּינָֽה
STATEN

Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

13
לֹא יָדַ֣ע אֱנ֣וֹשׁ עֶרְכָּ֑/הּ וְ/לֹ֥א תִ֝מָּצֵ֗א בְּ/אֶ֣רֶץ הַֽ/חַיִּֽים
STATEN

De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

14
תְּה֣וֹם אָ֭מַר לֹ֣א בִ/י הִ֑יא וְ/יָ֥ם אָ֝מַ֗ר אֵ֣ין עִמָּדִֽ/י
STATEN

De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

15
לֹא יֻתַּ֣ן סְג֣וֹר תַּחְתֶּ֑י/הָ וְ/לֹ֥א יִ֝שָּׁקֵ֗ל כֶּ֣סֶף מְחִירָֽ/הּ
STATEN

Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.

16
לֹֽא תְ֭סֻלֶּה בְּ/כֶ֣תֶם אוֹפִ֑יר בְּ/שֹׁ֖הַם יָקָ֣ר וְ/סַפִּֽיר
STATEN

Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.

17
לֹא יַעַרְכֶ֣/נָּה זָ֭הָב וּ/זְכוֹכִ֑ית וּ/תְמ֖וּרָתָ֣/הּ כְּלִי פָֽז
STATEN

Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.

18
רָאמ֣וֹת וְ֭/גָבִישׁ לֹ֣א יִזָּכֵ֑ר וּ/מֶ֥שֶׁךְ חָ֝כְמָ֗ה מִ/פְּנִינִֽים
STATEN

De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.

19
לֹֽא יַ֭עַרְכֶ/נָּה פִּטְדַת כּ֑וּשׁ בְּ/כֶ֥תֶם טָ֝ה֗וֹר לֹ֣א תְסֻלֶּֽה
STATEN

Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.

20
וְֽ֭/הַ/חָכְמָה מֵ/אַ֣יִן תָּב֑וֹא וְ/אֵ֥י זֶ֝֗ה מְק֣וֹם בִּינָֽה
STATEN

De wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

21
וְֽ֭/נֶעֶלְמָה מֵ/עֵינֵ֣י כָל חָ֑י וּ/מֵ/ע֖וֹף הַ/שָּׁמַ֣יִם נִסְתָּֽרָה
STATEN

Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.

22
אֲבַדּ֣וֹן וָ֭/מָוֶת אָ֣מְר֑וּ בְּ֝/אָזְנֵ֗י/נוּ שָׁמַ֥עְנוּ שִׁמְעָֽ/הּ
STATEN

Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.

23
אֱ֭לֹהִים הֵבִ֣ין דַּרְכָּ֑/הּ וְ֝/ה֗וּא יָדַ֥ע אֶת מְקוֹמָֽ/הּ
STATEN

God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.

24
כִּי ה֭וּא לִ/קְצוֹת הָ/אָ֣רֶץ יַבִּ֑יט תַּ֖חַת כָּל הַ/שָּׁמַ֣יִם יִרְאֶֽה
STATEN

Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.

25
לַ/עֲשׂ֣וֹת לָ/ר֣וּחַ מִשְׁקָ֑ל וּ֝/מַ֗יִם תִּכֵּ֥ן בְּ/מִדָּֽה
STATEN

Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;

26
בַּ/עֲשֹׂת֣/וֹ לַ/מָּטָ֣ר חֹ֑ק וְ֝/דֶ֗רֶךְ לַ/חֲזִ֥יז קֹלֽוֹת
STATEN

Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;

27
אָ֣ז רָ֭אָ/הּ וַֽ/יְסַפְּרָ֑/הּ הֱ֝כִינָ֗/הּ וְ/גַם חֲקָרָֽ/הּ
STATEN

Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.

28
וַ/יֹּ֤אמֶר לָֽ/אָדָ֗ם הֵ֤ן יִרְאַ֣ת אֲ֭דֹנָ/י הִ֣יא חָכְמָ֑ה וְ/ס֖וּר מֵ/רָ֣ע בִּינָֽה
STATEN

Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.