KETUVIM

Job 29

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יֹּ֣סֶף אִ֭יּוֹב שְׂאֵ֥ת מְשָׁל֗/וֹ וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

2
מִֽי יִתְּנֵ֥/נִי כְ/יַרְחֵי קֶ֑דֶם כִּ֝/ימֵ֗י אֱל֣וֹהַּ יִשְׁמְרֵֽ/נִי
STATEN

Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!

3
בְּ/הִלּ֣/וֹ נֵ֭ר/וֹ עֲלֵ֣י רֹאשִׁ֑/י לְ֝/אוֹר/וֹ אֵ֣לֶךְ חֹֽשֶׁךְ
STATEN

Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;

4
כַּ/אֲשֶׁ֣ר הָ֭יִיתִי בִּ/ימֵ֣י חָרְפִּ֑/י בְּ/ס֥וֹד אֱ֝ל֗וֹהַּ עֲלֵ֣י אָהֳלִֽ/י
STATEN

Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

5
בְּ/ע֣וֹד שַׁ֭דַּי עִמָּדִ֑/י סְבִ֖יבוֹתַ֣/י נְעָרָֽ/י
STATEN

Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;

6
בִּ/רְחֹ֣ץ הֲלִיכַ֣/י בְּ/חֵמָ֑ה וְ/צ֥וּר יָצ֥וּק עִ֝מָּדִ֗/י פַּלְגֵי שָֽׁמֶן
STATEN

Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;

7
בְּ/צֵ֣אתִ/י שַׁ֣עַר עֲלֵי קָ֑רֶת בָּ֝/רְח֗וֹב אָכִ֥ין מוֹשָׁבִֽ/י
STATEN

Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.

8
רָא֣וּ/נִי נְעָרִ֣ים וְ/נֶחְבָּ֑אוּ וִֽ֝/ישִׁישִׁים קָ֣מוּ עָמָֽדוּ
STATEN

De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.

9
שָׂ֭רִים עָצְר֣וּ בְ/מִלִּ֑ים וְ֝/כַ֗ף יָשִׂ֥ימוּ לְ/פִי/הֶֽם
STATEN

De oversten hielden de woorden in, en legden de hand op hun mond.

10
קוֹל נְגִידִ֥ים נֶחְבָּ֑אוּ וּ֝/לְשׁוֹנָ֗/ם לְ/חִכָּ֥/ם דָּבֵֽקָה
STATEN

De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

11
כִּ֤י אֹ֣זֶן שָׁ֭מְעָה וַֽ/תְּאַשְּׁרֵ֑/נִי וְ/עַ֥יִן רָ֝אֲתָ֗ה וַ/תְּעִידֵֽ/נִי
STATEN

Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

12
כִּֽי אֲ֭מַלֵּט עָנִ֣י מְשַׁוֵּ֑עַ וְ֝/יָת֗וֹם וְֽ/לֹא עֹזֵ֥ר לֽ/וֹ
STATEN

Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.

13
בִּרְכַּ֣ת אֹ֭בֵד עָלַ֣/י תָּבֹ֑א וְ/לֵ֖ב אַלְמָנָ֣ה אַרְנִֽן
STATEN

De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.

14
צֶ֣דֶק לָ֭בַשְׁתִּי וַ/יִּלְבָּשֵׁ֑/נִי כִּֽ/מְעִ֥יל וְ֝/צָנִ֗יף מִשְׁפָּטִֽ/י
STATEN

Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.

15
עֵינַ֣יִם הָ֭יִיתִי לַֽ/עִוֵּ֑ר וְ/רַגְלַ֖יִם לַ/פִּסֵּ֣חַ אָֽנִי
STATEN

Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.

16
אָ֣ב אָ֭נֹכִֽי לָֽ/אֶבְיוֹנִ֑ים וְ/רִ֖ב לֹא יָדַ֣עְתִּי אֶחְקְרֵֽ/הוּ
STATEN

Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

17
וָֽ֭/אֲשַׁבְּרָ/ה מְתַלְּע֣וֹת עַוָּ֑ל וּ֝/מִ/שִּׁנָּ֗י/ו אַשְׁלִ֥יךְ טָֽרֶף
STATEN

En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.

18
וָ֭/אֹמַר עִם קִנִּ֣/י אֶגְוָ֑ע וְ֝/כַ/ח֗וֹל אַרְבֶּ֥ה יָמִֽים
STATEN

En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.

19
שָׁרְשִׁ֣/י פָת֣וּחַ אֱלֵי מָ֑יִם וְ֝/טַ֗ל יָלִ֥ין בִּ/קְצִירִֽ/י
STATEN

Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.

20
כְּ֭בוֹדִ/י חָדָ֣שׁ עִמָּדִ֑/י וְ֝/קַשְׁתִּ֗/י בְּ/יָדִ֥/י תַחֲלִֽיף
STATEN

Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.

21
לִֽ/י שָׁמְע֥וּ וְ/יִחֵ֑לּוּ וְ֝/יִדְּמ֗וּ לְמ֣וֹ עֲצָתִֽ/י
STATEN

Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.

22
אַחֲרֵ֣י דְ֭בָרִ/י לֹ֣א יִשְׁנ֑וּ וְ֝/עָלֵ֗י/מוֹ תִּטֹּ֥ף מִלָּתִֽ/י
STATEN

Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.

23
וְ/יִֽחֲל֣וּ כַ/מָּטָ֣ר לִ֑/י וּ֝/פִי/הֶ֗ם פָּעֲר֥וּ לְ/מַלְקֽוֹשׁ
STATEN

Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.

24
אֶשְׂחַ֣ק אֲ֭לֵ/הֶם לֹ֣א יַאֲמִ֑ינוּ וְ/א֥וֹר פָּ֝נַ֗/י לֹ֣א יַפִּילֽוּ/ן
STATEN

Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.

25
אֶֽבֲחַ֣ר דַּרְכָּ/ם֮ וְ/אֵשֵׁ֪ב רֹ֥אשׁ וְ֭/אֶשְׁכּוֹן כְּ/מֶ֣לֶךְ בַּ/גְּד֑וּד כַּ/אֲשֶׁ֖ר אֲבֵלִ֣ים יְנַחֵֽם
STATEN

Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.