KETUVIM

Job 30

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וְ/עַתָּ֤ה שָֽׂחֲק֣וּ עָלַ/י֮ צְעִירִ֥ים מִמֶּ֗/נִּי לְ/יָ֫מִ֥ים אֲשֶׁר מָאַ֥סְתִּי אֲבוֹתָ֑/ם לָ֝/שִׁ֗ית עִם כַּלְבֵ֥י צֹאנִֽ/י
STATEN

Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.

2
גַּם כֹּ֣חַ יְ֭דֵי/הֶם לָ֣/מָּה לִּ֑/י עָ֝לֵ֗י/מוֹ אָ֣בַד כָּֽלַח
STATEN

Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.

3
בְּ/חֶ֥סֶר וּ/בְ/כָפָ֗ן גַּ֫לְמ֥וּד הַֽ/עֹרְקִ֥ים צִיָּ֑ה אֶ֝֗מֶשׁ שׁוֹאָ֥ה וּ/מְשֹׁאָֽה
STATEN

Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.

4
הַ/קֹּטְפִ֣ים מַלּ֣וּחַ עֲלֵי שִׂ֑יחַ וְ/שֹׁ֖רֶשׁ רְתָמִ֣ים לַ/חְמָֽ/ם
STATEN

Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.

5
מִן גֵּ֥ו יְגֹרָ֑שׁוּ יָרִ֥יעוּ עָ֝לֵ֗י/מוֹ כַּ/גַּנָּֽב
STATEN

Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),

6
בַּ/עֲר֣וּץ נְחָלִ֣ים לִ/שְׁכֹּ֑ן חֹרֵ֖י עָפָ֣ר וְ/כֵפִֽים
STATEN

Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

7
בֵּין שִׂיחִ֥ים יִנְהָ֑קוּ תַּ֖חַת חָר֣וּל יְסֻפָּֽחוּ
STATEN

Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.

8
בְּֽנֵי נָ֭בָל גַּם בְּנֵ֣י בְלִי שֵׁ֑ם נִ֝כְּא֗וּ מִן הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.

9
וְ֭/עַתָּה נְגִינָתָ֣/ם הָיִ֑יתִי וָ/אֱהִ֖י לָ/הֶ֣ם לְ/מִלָּֽה
STATEN

Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.

10
תִּֽ֭עֲבוּ/נִי רָ֣חֲקוּ מֶ֑/נִּי וּ֝/מִ/פָּנַ֗/י לֹא חָ֥שְׂכוּ רֹֽק
STATEN

Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.

11
כִּֽי יתר/ו פִ֭תַּח וַ/יְעַנֵּ֑/נִי וְ֝/רֶ֗סֶן מִ/פָּנַ֥/י שִׁלֵּֽחוּ יִתְרִ֣/י
STATEN

Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.

12
עַל יָמִין֮ פִּרְחַ֪ח יָ֫ק֥וּמוּ רַגְלַ֥/י שִׁלֵּ֑חוּ וַ/יָּסֹ֥לּוּ עָ֝לַ֗/י אָרְח֥וֹת אֵידָֽ/ם
STATEN

Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.

13
נָתְס֗וּ נְֽתִיבָ֫תִ֥/י לְ/הַוָּתִ֥/י יֹעִ֑ילוּ לֹ֖א עֹזֵ֣ר לָֽ/מוֹ
STATEN

Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.

14
כְּ/פֶ֣רֶץ רָחָ֣ב יֶאֱתָ֑יוּ תַּ֥חַת שֹׁ֝אָ֗ה הִתְגַּלְגָּֽלוּ
STATEN

Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.

15
הָהְפַּ֥ךְ עָלַ֗/י בַּלָּ֫ה֥וֹת תִּרְדֹּ֣ף כָּ֭/רוּחַ נְדִבָתִ֑/י וּ֝/כְ/עָ֗ב עָבְרָ֥ה יְשֻׁעָתִֽ/י
STATEN

Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

16
וְ/עַתָּ֗ה עָ֭לַ/י תִּשְׁתַּפֵּ֣ךְ נַפְשִׁ֑/י יֹ֭אחֲז֣וּ/נִי יְמֵי עֹֽנִי
STATEN

Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

17
לַ֗יְלָה עֲ֭צָמַ/י נִקַּ֣ר מֵ/עָלָ֑/י וְ֝/עֹרְקַ֗/י לֹ֣א יִשְׁכָּבֽוּ/ן
STATEN

Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.

18
בְּ/רָב כֹּ֭חַ יִתְחַפֵּ֣שׂ לְבוּשִׁ֑/י כְּ/פִ֖י כֻתָּנְתִּ֣/י יַֽאַזְרֵֽ/נִי
STATEN

Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

19
הֹרָ֥/נִי לַ/חֹ֑מֶר וָ֝/אֶתְמַשֵּׁ֗ל כֶּ/עָפָ֥ר וָ/אֵֽפֶר
STATEN

Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

20
אֲשַׁוַּ֣ע אֵ֭לֶי/ךָ וְ/לֹ֣א תַעֲנֵ֑/נִי עָ֝מַ֗דְתִּי וַ/תִּתְבֹּ֥נֶן בִּֽ/י
STATEN

Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.

21
תֵּהָפֵ֣ךְ לְ/אַכְזָ֣ר לִ֑/י בְּ/עֹ֖צֶם יָדְ/ךָ֣ תִשְׂטְמֵֽ/נִי
STATEN

Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

22
תִּשָּׂאֵ֣/נִי אֶל ר֭וּחַ תַּרְכִּיבֵ֑/נִי וּ֝/תְמֹגְגֵ֗/נִי תשוה תּוּשִׁיָּֽה
STATEN

Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

23
כִּֽי יָ֭דַעְתִּי מָ֣וֶת תְּשִׁיבֵ֑/נִי וּ/בֵ֖ית מוֹעֵ֣ד לְ/כָל חָֽי
STATEN

Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.

24
אַ֣ךְ לֹא בְ֭/עִי יִשְׁלַח יָ֑ד אִם בְּ֝/פִיד֗/וֹ לָהֶ֥ן שֽׁוּעַ
STATEN

Maar Hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in Zijn verdrukking?

25
אִם לֹ֣א בָ֭כִיתִי לִ/קְשֵׁה י֑וֹם עָֽגְמָ֥ה נַ֝פְשִׁ֗/י לָ/אֶבְיֽוֹן
STATEN

Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

26
כִּ֤י ט֣וֹב קִ֭וִּיתִי וַ/יָּ֣בֹא רָ֑ע וַֽ/אֲיַחֲלָ֥ה לְ֝/א֗וֹר וַ/יָּ֥בֹא אֹֽפֶל
STATEN

Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.

27
מֵעַ֖/י רֻתְּח֥וּ וְ/לֹא דָ֗מּוּ קִדְּמֻ֥/נִי יְמֵי עֹֽנִי
STATEN

Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.

28
קֹדֵ֣ר הִ֭לַּכְתִּי בְּ/לֹ֣א חַמָּ֑ה קַ֖מְתִּי בַ/קָּהָ֣ל אֲשַׁוֵּֽעַ
STATEN

Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

29
אָ֭ח הָיִ֣יתִי לְ/תַנִּ֑ים וְ֝/רֵ֗עַ לִ/בְנ֥וֹת יַעֲנָֽה
STATEN

Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.

30
ע֭וֹרִ/י שָׁחַ֣ר מֵ/עָלָ֑/י וְ/עַצְמִ/י חָ֝֗רָה מִנִּי חֹֽרֶב
STATEN

Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.

31
וַ/יְהִ֣י לְ֭/אֵבֶל כִּנֹּרִ֑/י וְ֝/עֻגָבִ֗/י לְ/ק֣וֹל בֹּכִֽים
STATEN

Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.