KETUVIM

Job 31

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
בְּ֭רִית כָּרַ֣תִּי לְ/עֵינָ֑/י וּ/מָ֥ה אֶ֝תְבּוֹנֵ֗ן עַל בְּתוּלָֽה
STATEN

Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?

2
וּ/מֶ֤ה חֵ֣לֶק אֱל֣וֹהַּ מִ/מָּ֑עַל וְֽ/נַחֲלַ֥ת שַׁ֝דַּ֗י מִ/מְּרֹמִֽים
STATEN

Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?

3
הֲ/לֹא אֵ֥יד לְ/עַוָּ֑ל וְ֝/נֵ֗כֶר לְ/פֹ֣עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?

4
הֲ/לֹא ה֭וּא יִרְאֶ֣ה דְרָכָ֑/י וְֽ/כָל צְעָדַ֥/י יִסְפּֽוֹר
STATEN

Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

5
אִם הָלַ֥כְתִּי עִם שָׁ֑וְא וַ/תַּ֖חַשׁ עַל מִרְמָ֣ה רַגְלִֽ/י
STATEN

Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;

6
יִשְׁקְלֵ֥/נִי בְ/מֹאזְנֵי צֶ֑דֶק וְ/יֵדַ֥ע אֱ֝ל֗וֹהַּ תֻּמָּתִֽ/י
STATEN

Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.

7
אִ֥ם תִּטֶּ֣ה אַשֻּׁרִ/י֮ מִנִּ֪י הַ֫/דָּ֥רֶךְ וְ/אַחַ֣ר עֵ֭ינַ/י הָלַ֣ךְ לִבִּ֑/י וּ֝/בְ/כַפַּ֗/י דָּ֣בַק מֻאֽוּם
STATEN

Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;

8
אֶ֭זְרְעָה וְ/אַחֵ֣ר יֹאכֵ֑ל וְֽ/צֶאֱצָאַ֥/י יְשֹׁרָֽשׁוּ
STATEN

Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!

9
אִם נִפְתָּ֣ה לִ֭בִּ/י עַל אִשָּׁ֑ה וְ/עַל פֶּ֖תַח רֵעִ֣/י אָרָֽבְתִּי
STATEN

Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;

10
תִּטְחַ֣ן לְ/אַחֵ֣ר אִשְׁתִּ֑/י וְ֝/עָלֶ֗י/הָ יִכְרְע֥וּ/ן אֲחֵרִֽין
STATEN

Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!

11
כִּי הוא זִמָּ֑ה ו/היא עָוֺ֥ן פְּלִילִֽים הִ֥יא וְ֝/ה֗וּא
STATEN

Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.

12
כִּ֤י אֵ֣שׁ הִ֭יא עַד אֲבַדּ֣וֹן תֹּאכֵ֑ל וּֽ/בְ/כָל תְּב֖וּאָתִ֣/י תְשָׁרֵֽשׁ
STATEN

Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.

13
אִם אֶמְאַ֗ס מִשְׁפַּ֣ט עַ֭בְדִּ/י וַ/אֲמָתִ֑/י בְּ֝/רִבָ֗/ם עִמָּדִֽ/י
STATEN

Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;

14
וּ/מָ֣ה אֶֽ֭עֱשֶׂה כִּֽי יָק֣וּם אֵ֑ל וְ/כִֽי יִ֝פְקֹ֗ד מָ֣ה אֲשִׁיבֶֽ/נּוּ
STATEN

(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?

15
הֲֽ֝/לֹא בַ֭/בֶּטֶן עֹשֵׂ֣/נִי עָשָׂ֑/הוּ וַ֝/יְכֻנֶ֗/נּוּ בָּ/רֶ֥חֶם אֶחָֽד
STATEN

Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Eén ons in de baarmoeder bereid?)

16
אִם אֶ֭מְנַע מֵ/חֵ֣פֶץ דַּלִּ֑ים וְ/עֵינֵ֖י אַלְמָנָ֣ה אֲכַלֶּֽה
STATEN

Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

17
וְ/אֹכַ֣ל פִּתִּ֣/י לְ/בַדִּ֑/י וְ/לֹא אָכַ֖ל יָת֣וֹם מִמֶּֽ/נָּה
STATEN

En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;

18
כִּ֣י מִ֭/נְּעוּרַ/י גְּדֵלַ֣/נִי כְ/אָ֑ב וּ/מִ/בֶּ֖טֶן אִמִּ֣/י אַנְחֶֽ/נָּה
STATEN

(Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)

19
אִם אֶרְאֶ֣ה א֭וֹבֵד מִ/בְּלִ֣י לְב֑וּשׁ וְ/אֵ֥ין כְּ֝ס֗וּת לָ/אֶבְיֽוֹן
STATEN

Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

20
אִם לֹ֣א בֵרֲכ֣וּ/נִי חלצ/ו וּ/מִ/גֵּ֥ז כְּ֝בָשַׂ/י יִתְחַמָּֽם חֲלָצָ֑י/ו
STATEN

Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;

21
אִם הֲנִיפ֣וֹתִי עַל יָת֣וֹם יָדִ֑/י כִּֽי אֶרְאֶ֥ה בַ֝/שַּׁ֗עַר עֶזְרָתִֽ/י
STATEN

Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;

22
כְּ֭תֵפִ/י מִ/שִּׁכְמָ֣/ה תִפּ֑וֹל וְ֝/אֶזְרֹעִ֗/י מִ/קָּנָ֥/ה תִשָּׁבֵֽר
STATEN

Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!

23
כִּ֤י פַ֣חַד אֵ֭לַ/י אֵ֣יד אֵ֑ל וּ֝/מִ/שְּׂאֵת֗/וֹ לֹ֣א אוּכָֽל
STATEN

Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.

24
אִם שַׂ֣מְתִּי זָהָ֣ב כִּסְלִ֑/י וְ֝/לַ/כֶּ֗תֶם אָמַ֥רְתִּי מִבְטַחִֽ/י
STATEN

Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;

25
אִם אֶ֭שְׂמַח כִּי רַ֣ב חֵילִ֑/י וְ/כִֽי כַ֝בִּ֗יר מָצְאָ֥ה יָדִֽ/י
STATEN

Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;

26
אִם אֶרְאֶ֣ה א֖וֹר כִּ֣י יָהֵ֑ל וְ֝/יָרֵ֗חַ יָקָ֥ר הֹלֵֽךְ
STATEN

Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;

27
וַ/יִּ֣פְתְּ בַּ/סֵּ֣תֶר לִבִּ֑/י וַ/תִּשַּׁ֖ק יָדִ֣/י לְ/פִֽ/י
STATEN

En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;

28
גַּם ה֭וּא עָוֺ֣ן פְּלִילִ֑י כִּֽי כִחַ֖שְׁתִּי לָ/אֵ֣ל מִ/מָּֽעַל
STATEN

Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.

29
אִם אֶ֭שְׂמַח בְּ/פִ֣יד מְשַׂנְאִ֑/י וְ֝/הִתְעֹרַ֗רְתִּי כִּֽי מְצָ֥א/וֹ רָֽע
STATEN

Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;

30
וְ/לֹא נָתַ֣תִּי לַ/חֲטֹ֣א חִכִּ֑/י לִ/שְׁאֹ֖ל בְּ/אָלָ֣ה נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).

31
אִם לֹ֣א אָ֭מְרוּ מְתֵ֣י אָהֳלִ֑/י מִֽי יִתֵּ֥ן מִ֝/בְּשָׂר֗/וֹ לֹ֣א נִשְׂבָּֽע
STATEN

Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;

32
בַּ֭/חוּץ לֹא יָלִ֣ין גֵּ֑ר דְּ֝לָתַ֗/י לָ/אֹ֥רַח אֶפְתָּֽח
STATEN

De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar den weg;

33
אִם כִּסִּ֣יתִי כְ/אָדָ֣ם פְּשָׁעָ֑/י לִ/טְמ֖וֹן בְּ/חֻבִּ֣/י עֲוֺֽנִ/י
STATEN

Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!

34
כִּ֤י אֶֽעֱר֨וֹץ הָ֘מ֤וֹן רַבָּ֗ה וּ/בוּז מִשְׁפָּח֥וֹת יְחִתֵּ֑/נִי וָ֝/אֶדֹּ֗ם לֹא אֵ֥צֵא פָֽתַח
STATEN

Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.

35
מִ֤י יִתֶּן לִ֨/י שֹׁ֘מֵ֤עַֽ לִ֗/י הֶן תָּ֭וִ/י שַׁדַּ֣י יַעֲנֵ֑/נִי וְ/סֵ֥פֶר כָּ֝תַ֗ב אִ֣ישׁ רִיבִֽ/י
STATEN

Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.

36
אִם לֹ֣א עַל שִׁ֭כְמִ/י אֶשָּׂאֶ֑/נּוּ אֶֽעֶנְדֶ֖/נּוּ עֲטָר֣וֹת לִֽ/י
STATEN

Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.

37
מִסְפַּ֣ר צְ֭עָדַ/י אַגִּידֶ֑/נּוּ כְּמוֹ נָ֝גִ֗יד אֲקָרֲבֶֽ/נּוּ
STATEN

Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.

38
אִם עָ֭לַ/י אַדְמָתִ֣/י תִזְעָ֑ק וְ֝/יַ֗חַד תְּלָמֶ֥י/הָ יִבְכָּיֽוּ/ן
STATEN

Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;

39
אִם כֹּ֭חָ/הּ אָכַ֣לְתִּי בְלִי כָ֑סֶף וְ/נֶ֖פֶשׁ בְּעָלֶ֣י/הָ הִפָּֽחְתִּי
STATEN

Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;

40
תַּ֤חַת חִטָּ֨ה יֵ֥צֵא ח֗וֹחַ וְ/תַֽחַת שְׂעֹרָ֥ה בָאְשָׁ֑ה תַּ֝֗מּוּ דִּבְרֵ֥י אִיּֽוֹב
STATEN

Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.