Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
אַף לְ֭/זֹאת יֶחֱרַ֣ד לִבִּ֑/י וְ֝/יִתַּ֗ר מִ/מְּקוֹמֽ/וֹ־׃
STATEN
Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
שִׁמְע֤וּ שָׁמ֣וֹעַ בְּ/רֹ֣גֶז קֹל֑/וֹ וְ֝/הֶ֗גֶה מִ/פִּ֥י/ו יֵצֵֽא׃
STATEN
Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
תַּֽחַת כָּל הַ/שָּׁמַ֥יִם יִשְׁרֵ֑/הוּ וְ֝/אוֹר֗/וֹ עַל כַּנְפ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN
Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
אַחֲרָ֤י/ו יִשְׁאַג ק֗וֹל יַ֭רְעֵם בְּ/ק֣וֹל גְּאוֹנ֑/וֹ וְ/לֹ֥א יְ֝עַקְּבֵ֗/ם כִּֽי יִשָּׁמַ֥ע קוֹלֽ/וֹ׀־־׃
STATEN
Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.
יַרְעֵ֤ם אֵ֣ל בְּ֭/קוֹל/וֹ נִפְלָא֑וֹת עֹשֶׂ֥ה גְ֝דֹל֗וֹת וְ/לֹ֣א נֵדָֽע׃
STATEN
God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
כִּ֤י לַ/שֶּׁ֨לַג יֹאמַ֗ר הֱוֵ֫א אָ֥רֶץ וְ/גֶ֥שֶׁם מָטָ֑ר וְ֝/גֶ֗שֶׁם מִטְר֥וֹת עֻזּֽ/וֹ׀׃
STATEN
Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregen des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
בְּ/יַד כָּל אָדָ֥ם יַחְתּ֑וֹם לָ֝/דַ֗עַת כָּל אַנְשֵׁ֥י מַעֲשֵֽׂ/הוּ־־־׃
STATEN
Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden zijns werks.
וַ/תָּבֹ֣א חַיָּ֣ה בְמוֹ אָ֑רֶב וּ/בִ/מְע֖וֹנֹתֶ֣י/הָ תִשְׁכֹּֽן־׃
STATEN
En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
מִן הַ֭/חֶדֶר תָּב֣וֹא סוּפָ֑ה וּֽ/מִ/מְּזָרִ֥ים קָרָֽה־׃
STATEN
Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
מִ/נִּשְׁמַת אֵ֥ל יִתֶּן קָ֑רַח וְ/רֹ֖חַב מַ֣יִם בְּ/מוּצָֽק־־׃
STATEN
Door Zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.
אַף בְּ֭/רִי יַטְרִ֣יחַ עָ֑ב יָ֝פִ֗יץ עֲנַ֣ן אוֹרֽ/וֹ־׃
STATEN
Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
וְ/ה֤וּא מְסִבּ֨וֹת מִתְהַפֵּ֣ךְ ב/תחבולת/ו לְ/פָעֳלָ֑/ם כֹּ֖ל אֲשֶׁ֥ר יְצַוֵּ֓/ם עַל פְּנֵ֖י תֵבֵ֣ל אָֽרְצָ/ה׀׀־׃ בְּ/תַחְבּוּלֹתָ֣י/ו
STATEN
Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.