KETUVIM

Job 39

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
הֲ/יָדַ֗עְתָּ עֵ֭ת לֶ֣דֶת יַעֲלֵי סָ֑לַע חֹלֵ֖ל אַיָּל֣וֹת תִּשְׁמֹֽר
STATEN

Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

2
תִּסְפֹּ֣ר יְרָחִ֣ים תְּמַלֶּ֑אנָה וְ֝/יָדַ֗עְתָּ עֵ֣ת לִדְתָּֽ/נָה
STATEN

Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?

3
תִּ֭כְרַעְנָה יַלְדֵי/הֶ֣ן תְּפַלַּ֑חְנָה חֶבְלֵי/הֶ֥ם תְּשַׁלַּֽחְנָה
STATEN

Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?

4
יַחְלְמ֣וּ בְ֭נֵי/הֶם יִרְבּ֣וּ בַ/בָּ֑ר יָ֝צְא֗וּ וְ/לֹא שָׁ֥בוּ לָֽ/מוֹ
STATEN

Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

5
מִֽי שִׁלַּ֣ח פֶּ֣רֶא חָפְשִׁ֑י וּ/מֹסְר֥וֹת עָ֝ר֗וֹד מִ֣י פִתֵּֽחַ
STATEN

Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?

6
אֲשֶׁר שַׂ֣מְתִּי עֲרָבָ֣ה בֵית֑/וֹ וּֽ/מִשְׁכְּנוֹתָ֥י/ו מְלֵֽחָה
STATEN

Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

7
יִ֭שְׂחַק לַ/הֲמ֣וֹן קִרְיָ֑ה תְּשֻׁא֥וֹת נ֝וֹגֵ֗שׂ לֹ֣א יִשְׁמָֽע
STATEN

Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

8
יְת֣וּר הָרִ֣ים מִרְעֵ֑/הוּ וְ/אַחַ֖ר כָּל יָר֣וֹק יִדְרֽוֹשׁ
STATEN

Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

9
הֲ/יֹ֣אבֶה רֵּ֣ים עָבְדֶ֑/ךָ אִם יָ֝לִ֗ין עַל אֲבוּסֶֽ/ךָ
STATEN

Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

10
הֲֽ/תִקְשָׁר רֵ֭ים בְּ/תֶ֣לֶם עֲבֹת֑/וֹ אִם יְשַׂדֵּ֖ד עֲמָקִ֣ים אַחֲרֶֽי/ךָ
STATEN

Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

11
הֲֽ/תִבְטַח בּ֭/וֹ כִּי רַ֣ב כֹּח֑/וֹ וְ/תַעֲזֹ֖ב אֵלָ֣י/ו יְגִיעֶֽ/ךָ
STATEN

Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

12
הֲ/תַאֲמִ֣ין בּ֭/וֹ כִּי ישוב זַרְעֶ֑/ךָ וְֽ/גָרְנְ/ךָ֥ יֶאֱסֹֽף יָשִׁ֣יב
STATEN

Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?

13
כְּנַף רְנָנִ֥ים נֶעֱלָ֑סָה אִם אֶ֝בְרָ֗ה חֲסִידָ֥ה וְ/נֹצָֽה
STATEN

Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

14
כִּֽי תַעֲזֹ֣ב לָ/אָ֣רֶץ בֵּצֶ֑י/הָ וְֽ/עַל עָפָ֥ר תְּחַמֵּֽם
STATEN

Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

15
וַ֭/תִּשְׁכַּח כִּי רֶ֣גֶל תְּזוּרֶ֑/הָ וְ/חַיַּ֖ת הַ/שָּׂדֶ֣ה תְּדוּשֶֽׁ/הָ
STATEN

Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

16
הִקְשִׁ֣יחַ בָּנֶ֣י/הָ לְּ/לֹא לָ֑/הּ לְ/רִ֖יק יְגִיעָ֣/הּ בְּלִי פָֽחַד
STATEN

Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

17
כִּֽי הִשָּׁ֣/הּ אֱל֣וֹהַּ חָכְמָ֑ה וְ/לֹא חָ֥לַק לָ֝֗/הּ בַּ/בִּינָֽה
STATEN

Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt,

18
כָּ֭/עֵת בַּ/מָּר֣וֹם תַּמְרִ֑יא תִּֽשְׂחַ֥ק לַ֝/סּ֗וּס וּ/לְ/רֹֽכְבֽ/וֹ
STATEN

En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

19
הֲ/תִתֵּ֣ן לַ/סּ֣וּס גְּבוּרָ֑ה הֲ/תַלְבִּ֖ישׁ צַוָּאר֣/וֹ רַעְמָֽה
STATEN

Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is tevergeefs, omdat zij zonder vreze is.

20
הְֽ֭/תַרְעִישֶׁ/נּוּ כָּ/אַרְבֶּ֑ה ה֖וֹד נַחְר֣/וֹ אֵימָֽה
STATEN

Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niets medegedeeld.

21
יַחְפְּר֣וּ בָ֭/עֵמֶק וְ/יָשִׂ֣ישׂ בְּ/כֹ֑חַ יֵ֝צֵ֗א לִ/קְרַאת נָֽשֶׁק
STATEN

Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

22
יִשְׂחַ֣ק לְ֭/פַחַד וְ/לֹ֣א יֵחָ֑ת וְ/לֹֽא יָ֝שׁ֗וּב מִ/פְּנֵי חָֽרֶב
STATEN

Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?

23
עָ֭לָי/ו תִּרְנֶ֣ה אַשְׁפָּ֑ה לַ֖הַב חֲנִ֣ית וְ/כִידֽוֹן
STATEN

Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

24
בְּ/רַ֣עַשׁ וְ֭/רֹגֶז יְגַמֶּא אָ֑רֶץ וְ/לֹֽא יַ֝אֲמִ֗ין כִּי ק֥וֹל שׁוֹפָֽר
STATEN

Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.

25
בְּ/דֵ֤י שֹׁפָ֨ר יֹ֘אמַ֤ר הֶאָ֗ח וּֽ֭/מֵ/רָחוֹק יָרִ֣יחַ מִלְחָמָ֑ה רַ֥עַם שָׂ֝רִים וּ/תְרוּעָֽה
STATEN

Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.

26
הֲֽ֭/מִ/בִּינָ֣תְ/ךָ יַֽאֲבֶר נֵ֑ץ יִפְרֹ֖שׂ כנפ/ו לְ/תֵימָֽן כְּנָפָ֣י/ו
STATEN

Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

27
אִם עַל פִּ֭י/ךָ יַגְבִּ֣יהַּ נָ֑שֶׁר וְ֝/כִ֗י יָרִ֥ים קִנּֽ/וֹ
STATEN

Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

28
סֶ֣לַע יִ֭שְׁכֹּן וְ/יִתְלֹנָ֑ן עַֽל שֶׁן סֶ֝֗לַע וּ/מְצוּדָֽה
STATEN

In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.

29
מִ/שָּׁ֥ם חָֽפַר אֹ֑כֶל לְ֝/מֵ/רָח֗וֹק עֵינָ֥י/ו יַבִּֽיטוּ
STATEN

Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?

30
ו/אפרח/ו יְעַלְעוּ דָ֑ם וּ/בַ/אֲשֶׁ֥ר חֲ֝לָלִ֗ים שָׁ֣ם הֽוּא וְ/אֶפְרֹחָ֥י/ו
STATEN

Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?

31

Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.

32

Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.

33

Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.

34

En de HEERE antwoordde Job, en zeide:

35

Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.

36

Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

37

Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.

38

Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.