Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ֭/יַּעַן אֱלִיפַ֥ז הַֽ/תֵּימָנִ֗י וַ/יֹּאמַֽר׃
STATEN
Toen antwoordde Elífaz, de Themaniet, en zeide:
הֲ/נִסָּ֬ה דָבָ֣ר אֵלֶ֣י/ךָ תִּלְאֶ֑ה וַ/עְצֹ֥ר בְּ֝/מִלִּ֗ין מִ֣י יוּכָֽל׃
STATEN
Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
הִ֭נֵּה יִסַּ֣רְתָּ רַבִּ֑ים וְ/יָדַ֖יִם רָפ֣וֹת תְּחַזֵּֽק׃
STATEN
Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;
כּ֭וֹשֵׁל יְקִימ֣וּ/ן מִלֶּ֑י/ךָ וּ/בִרְכַּ֖יִם כֹּרְע֣וֹת תְּאַמֵּֽץ׃
STATEN
Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieën hebt gij vastgesteld;
כִּ֤י עַתָּ֨ה תָּב֣וֹא אֵלֶ֣י/ךָ וַ/תֵּ֑לֶא תִּגַּ֥ע עָ֝דֶ֗י/ךָ וַ/תִּבָּהֵֽל׀׃
STATEN
Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
הֲ/לֹ֣א יִ֭רְאָתְ/ךָ כִּסְלָתֶ֑/ךָ תִּ֝קְוָתְ/ךָ֗ וְ/תֹ֣ם דְּרָכֶֽי/ךָ׃
STATEN
Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
זְכָר נָ֗א מִ֤י ה֣וּא נָקִ֣י אָבָ֑ד וְ֝/אֵיפֹ֗ה יְשָׁרִ֥ים נִכְחָֽדוּ־׃
STATEN
Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?
כַּ/אֲשֶׁ֣ר רָ֭אִיתִי חֹ֣רְשֵׁי אָ֑וֶן וְ/זֹרְעֵ֖י עָמָ֣ל יִקְצְרֻֽ/הוּ׃
STATEN
Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.
מִ/נִּשְׁמַ֣ת אֱל֣וֹהַ יֹאבֵ֑דוּ וּ/מֵ/ר֖וּחַ אַפּ֣/וֹ יִכְלֽוּ׃
STATEN
Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.
שַׁאֲגַ֣ת אַ֭רְיֵה וְ/ק֣וֹל שָׁ֑חַל וְ/שִׁנֵּ֖י כְפִירִ֣ים נִתָּֽעוּ׃
STATEN
De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.
לַ֭יִשׁ אֹבֵ֣ד מִ/בְּלִי טָ֑רֶף וּ/בְנֵ֥י לָ֝בִ֗יא יִתְפָּרָֽדוּ־׃
STATEN
De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
וְ֭/אֵלַ/י דָּבָ֣ר יְגֻנָּ֑ב וַ/תִּקַּ֥ח אָ֝זְנִ֗/י שֵׁ֣מֶץ מֶֽנְ/הֽוּ׃
STATEN
Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;