KETUVIM

Job 4

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ֭/יַּעַן אֱלִיפַ֥ז הַֽ/תֵּימָנִ֗י וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Toen antwoordde Elífaz, de Themaniet, en zeide:

2
הֲ/נִסָּ֬ה דָבָ֣ר אֵלֶ֣י/ךָ תִּלְאֶ֑ה וַ/עְצֹ֥ר בְּ֝/מִלִּ֗ין מִ֣י יוּכָֽל
STATEN

Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?

3
הִ֭נֵּה יִסַּ֣רְתָּ רַבִּ֑ים וְ/יָדַ֖יִם רָפ֣וֹת תְּחַזֵּֽק
STATEN

Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;

4
כּ֭וֹשֵׁל יְקִימ֣וּ/ן מִלֶּ֑י/ךָ וּ/בִרְכַּ֖יִם כֹּרְע֣וֹת תְּאַמֵּֽץ
STATEN

Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieën hebt gij vastgesteld;

5
כִּ֤י עַתָּ֨ה תָּב֣וֹא אֵלֶ֣י/ךָ וַ/תֵּ֑לֶא תִּגַּ֥ע עָ֝דֶ֗י/ךָ וַ/תִּבָּהֵֽל
STATEN

Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

6
הֲ/לֹ֣א יִ֭רְאָתְ/ךָ כִּסְלָתֶ֑/ךָ תִּ֝קְוָתְ/ךָ֗ וְ/תֹ֣ם דְּרָכֶֽי/ךָ
STATEN

Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

7
זְכָר נָ֗א מִ֤י ה֣וּא נָקִ֣י אָבָ֑ד וְ֝/אֵיפֹ֗ה יְשָׁרִ֥ים נִכְחָֽדוּ
STATEN

Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?

8
כַּ/אֲשֶׁ֣ר רָ֭אִיתִי חֹ֣רְשֵׁי אָ֑וֶן וְ/זֹרְעֵ֖י עָמָ֣ל יִקְצְרֻֽ/הוּ
STATEN

Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.

9
מִ/נִּשְׁמַ֣ת אֱל֣וֹהַ יֹאבֵ֑דוּ וּ/מֵ/ר֖וּחַ אַפּ֣/וֹ יִכְלֽוּ
STATEN

Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.

10
שַׁאֲגַ֣ת אַ֭רְיֵה וְ/ק֣וֹל שָׁ֑חַל וְ/שִׁנֵּ֖י כְפִירִ֣ים נִתָּֽעוּ
STATEN

De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

11
לַ֭יִשׁ אֹבֵ֣ד מִ/בְּלִי טָ֑רֶף וּ/בְנֵ֥י לָ֝בִ֗יא יִתְפָּרָֽדוּ
STATEN

De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.

12
וְ֭/אֵלַ/י דָּבָ֣ר יְגֻנָּ֑ב וַ/תִּקַּ֥ח אָ֝זְנִ֗/י שֵׁ֣מֶץ מֶֽנְ/הֽוּ
STATEN

Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;

13
בִּ֭/שְׂעִפִּים מֵ/חֶזְיֹנ֣וֹת לָ֑יְלָה בִּ/נְפֹ֥ל תַּ֝רְדֵּמָ֗ה עַל אֲנָשִֽׁים
STATEN

Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

14
פַּ֣חַד קְ֭רָאַ/נִי וּ/רְעָדָ֑ה וְ/רֹ֖ב עַצְמוֹתַ֣/י הִפְחִֽיד
STATEN

Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.

15
וְ֭/רוּחַ עַל פָּנַ֣/י יַחֲלֹ֑ף תְּ֝סַמֵּ֗ר שַֽׂעֲרַ֥ת בְּשָׂרִֽ/י
STATEN

Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.

16
יַעֲמֹ֤ד וְֽ/לֹא אַכִּ֬יר מַרְאֵ֗/הוּ תְּ֭מוּנָה לְ/נֶ֣גֶד עֵינָ֑/י דְּמָמָ֖ה וָ/ק֣וֹל אֶשְׁמָֽע
STATEN

Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:

17
הַֽ֭/אֱנוֹשׁ מֵ/אֱל֣וֹהַ יִצְדָּ֑ק אִ֥ם מֵ֝/עֹשֵׂ֗/הוּ יִטְהַר גָּֽבֶר
STATEN

Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

18
הֵ֣ן בַּ֭/עֲבָדָי/ו לֹ֣א יַאֲמִ֑ין וּ֝/בְ/מַלְאָכָ֗י/ו יָשִׂ֥ים תָּהֳלָֽה
STATEN

Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.

19
אַ֤ף שֹׁכְנֵ֬י בָֽתֵּי חֹ֗מֶר אֲשֶׁר בֶּ/עָפָ֥ר יְסוֹדָ֑/ם יְ֝דַכְּא֗וּ/ם לִ/פְנֵי עָֽשׁ
STATEN

Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.

20
מִ/בֹּ֣קֶר לָ/עֶ֣רֶב יֻכַּ֑תּוּ מִ/בְּלִ֥י מֵ֝שִׂ֗ים לָ/נֶ֥צַח יֹאבֵֽדוּ
STATEN

Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

21
הֲ/לֹא נִסַּ֣ע יִתְרָ֣/ם בָּ֑/ם יָ֝מ֗וּתוּ וְ/לֹ֣א בְ/חָכְמָֽה
STATEN

Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.