KETUVIM

Job 40

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּ֖עַן יְהוָ֥ה אֶת אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

2
הֲ֭/רֹב עִם שַׁדַּ֣י יִסּ֑וֹר מוֹכִ֖יחַ אֱל֣וֹהַּ יַעֲנֶֽ/נָּה
STATEN

Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

3
וַ/יַּ֖עַן אִיּ֥וֹב אֶת יְהוָ֗ה וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

4
הֵ֣ן קַ֭לֹּתִי מָ֣ה אֲשִׁיבֶ֑/ךָּ יָ֝דִ֗/י שַׂ֣מְתִּי לְמוֹ פִֽ/י
STATEN

Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

5
אַחַ֣ת דִּ֭בַּרְתִּי וְ/לֹ֣א אֶֽעֱנֶ֑ה וּ֝/שְׁתַּ֗יִם וְ/לֹ֣א אוֹסִֽיף
STATEN

Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

6
וַ/יַּֽעַן יְהוָ֣ה אֶת אִ֭יּוֹב מנ סערה וַ/יֹּאמַֽר מִ֥ן סְעָרָ֗ה
STATEN

Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

7
אֱזָר נָ֣א כְ/גֶ֣בֶר חֲלָצֶ֑י/ךָ אֶ֝שְׁאָלְ/ךָ֗ וְ/הוֹדִיעֵֽ/נִי
STATEN

Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

8
הַ֭/אַף תָּפֵ֣ר מִשְׁפָּטִ֑/י תַּ֝רְשִׁיעֵ֗/נִי לְמַ֣עַן תִּצְדָּֽק
STATEN

Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

9
וְ/אִם זְר֖וֹעַ כָּ/אֵ֥ל לָ֑/ךְ וּ֝/בְ/ק֗וֹל כָּמֹ֥/הוּ תַרְעֵֽם
STATEN

Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

10
עֲדֵ֥ה נָ֣א גָֽא֣וֹן וָ/גֹ֑בַהּ וְ/ה֖וֹד וְ/הָדָ֣ר תִּלְבָּֽשׁ
STATEN

Zie nu Behémoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.

11
הָ֭פֵץ עֶבְר֣וֹת אַפֶּ֑/ךָ וּ/רְאֵ֥ה כָל גֵּ֝אֶ֗ה וְ/הַשְׁפִּילֵֽ/הוּ
STATEN

Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.

12
רְאֵ֣ה כָל גֵּ֭אֶה הַכְנִיעֵ֑/הוּ וַ/הֲדֹ֖ךְ רְשָׁעִ֣ים תַּחְתָּֽ/ם
STATEN

Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.

13
טָמְנֵ֣/ם בֶּ/עָפָ֣ר יָ֑חַד פְּ֝נֵי/הֶ֗ם חֲבֹ֣שׁ בַּ/טָּמֽוּן
STATEN

Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

14
וְ/גַם אֲנִ֥י אוֹדֶ֑/ךָּ כִּֽי תוֹשִׁ֖עַ לְ/ךָ֣ יְמִינֶֽ/ךָ
STATEN

Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

15
הִנֵּה נָ֣א בְ֭הֵמוֹת אֲשֶׁר עָשִׂ֣יתִי עִמָּ֑/ךְ חָ֝צִ֗יר כַּ/בָּקָ֥ר יֹאכֵֽל
STATEN

Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

16
הִנֵּה נָ֣א כֹח֣/וֹ בְ/מָתְנָ֑י/ו וְ֝/אֹנ֗/וֹ בִּ/שְׁרִירֵ֥י בִטְנֽ/וֹ
STATEN

Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

17
יַחְפֹּ֣ץ זְנָב֣/וֹ כְמוֹ אָ֑רֶז גִּידֵ֖י פחד/ו יְשֹׂרָֽגוּ פַחֲדָ֣י/ו
STATEN

De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

18
עֲ֭צָמָי/ו אֲפִיקֵ֣י נְחוּשָׁ֑ה גְּ֝רָמָ֗י/ו כִּ/מְטִ֥יל בַּרְזֶֽל
STATEN

Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

19
ה֭וּא רֵאשִׁ֣ית דַּרְכֵי אֵ֑ל הָ֝/עֹשׂ/וֹ יַגֵּ֥שׁ חַרְבּֽ/וֹ
STATEN

Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

20
כִּֽי ב֭וּל הָרִ֣ים יִשְׂאוּ ל֑/וֹ וְֽ/כָל חַיַּ֥ת הַ֝/שָּׂדֶ֗ה יְשַֽׂחֲקוּ שָֽׁם
STATEN

Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

21
תַּֽחַת צֶאֱלִ֥ים יִשְׁכָּ֑ב בְּ/סֵ֖תֶר קָנֶ֣ה וּ/בִצָּֽה
STATEN

Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?

22
יְסֻכֻּ֣/הוּ צֶאֱלִ֣ים צִֽלֲל֑/וֹ יְ֝סֻבּ֗וּ/הוּ עַרְבֵי נָֽחַל
STATEN

Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?

23
הֵ֤ן יַעֲשֹׁ֣ק נָ֭הָר לֹ֣א יַחְפּ֑וֹז יִבְטַ֓ח כִּֽי יָגִ֖יחַ יַרְדֵּ֣ן אֶל פִּֽי/הוּ
STATEN

Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?

24
בְּ/עֵינָ֥י/ו יִקָּחֶ֑/נּוּ בְּ֝/מֽוֹקְשִׁ֗ים יִנְקָב אָֽף
STATEN

Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?

25
תִּמְשֹׁ֣ךְ לִוְיָתָ֣ן בְּ/חַכָּ֑ה וּ֝/בְ/חֶ֗בֶל תַּשְׁקִ֥יעַ לְשֹׁנֽ/וֹ
STATEN

Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?

26
הֲ/תָשִׂ֣ים אַגְמ֣וֹן בְּ/אַפּ֑/וֹ וּ֝/בְ/ח֗וֹחַ תִּקּ֥וֹב לֶֽחֱי/וֹ
STATEN

Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?

27
הֲ/יַרְבֶּ֣ה אֵ֭לֶי/ךָ תַּחֲנוּנִ֑ים אִם יְדַבֵּ֖ר אֵלֶ֣י/ךָ רַכּֽוֹת
STATEN

Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.

28
הֲ/יִכְרֹ֣ת בְּרִ֣ית עִמָּ֑/ךְ תִּ֝קָּחֶ֗/נּוּ לְ/עֶ֣בֶד עוֹלָֽם
STATEN

Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?

29
הַֽ/תְשַׂחֶק בּ֭/וֹ כַּ/צִּפּ֑וֹר וְ֝/תִקְשְׁרֶ֗/נּוּ לְ/נַעֲרוֹתֶֽי/ךָ
30
יִכְר֣וּ עָ֭לָי/ו חַבָּרִ֑ים יֶ֝חֱצ֗וּ/הוּ בֵּ֣ין כְּֽנַעֲנִֽים
31
הַֽ/תְמַלֵּ֣א בְ/שֻׂכּ֣וֹת עוֹר֑/וֹ וּ/בְ/צִלְצַ֖ל דָּגִ֣ים רֹאשֽׁ/וֹ
32
שִׂים עָלָ֥י/ו כַּפֶּ֑/ךָ זְכֹ֥ר מִ֝לְחָמָ֗ה אַל תּוֹסַֽף