Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ/יַּ֥עַן אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר׃
STATEN
Maar Job antwoordde en zeide:
אָ֭מְנָם יָדַ֣עְתִּי כִי כֵ֑ן וּ/מַה יִּצְדַּ֖ק אֱנ֣וֹשׁ עִם אֵֽל־־־׃
STATEN
Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
אִם יַ֭חְפֹּץ לָ/רִ֣יב עִמּ֑/וֹ לֹֽא יַ֝עֲנֶ֗/נּוּ אַחַ֥ת מִנִּי אָֽלֶף־־־׃
STATEN
Zo hij lust heeft, om met Hem te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
חֲכַ֣ם לֵ֭בָב וְ/אַמִּ֣יץ כֹּ֑חַ מִֽי הִקְשָׁ֥ה אֵ֝לָ֗י/ו וַ/יִּשְׁלָֽם־׃
STATEN
Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
הַ/מַּעְתִּ֣יק הָ֭רִים וְ/לֹ֣א יָדָ֑עוּ אֲשֶׁ֖ר הֲפָכָ֣/ם בְּ/אַפּֽ/וֹ׃
STATEN
Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
הַ/מַּרְגִּ֣יז אֶ֭רֶץ מִ/מְּקוֹמָ֑/הּ וְ֝/עַמּוּדֶ֗י/הָ יִתְפַלָּצֽוּ/ן׃
STATEN
Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
הָ/אֹמֵ֣ר לַ֭/חֶרֶס וְ/לֹ֣א יִזְרָ֑ח וּ/בְעַ֖ד כּוֹכָבִ֣ים יַחְתֹּֽם׃
STATEN
Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
נֹטֶ֣ה שָׁמַ֣יִם לְ/בַדּ֑/וֹ וְ֝/דוֹרֵ֗ךְ עַל בָּ֥מֳתֵי יָֽם־׃
STATEN
Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
עֹֽשֶׂה עָ֭שׁ כְּסִ֥יל וְ/כִימָ֗ה וְ/חַדְרֵ֥י תֵמָֽן־׃
STATEN
Die den Wagen maakt, den Oríon, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
עֹשֶׂ֣ה גְ֭דֹלוֹת עַד אֵ֣ין חֵ֑קֶר וְ/נִפְלָא֗וֹת עַד אֵ֥ין מִסְפָּֽר־־׃
STATEN
Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
הֵ֤ן יַעֲבֹ֣ר עָ֭לַ/י וְ/לֹ֣א אֶרְאֶ֑ה וְ֝/יַחֲלֹ֗ף וְֽ/לֹא אָבִ֥ין לֽ/וֹ־׃
STATEN
Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
הֵ֣ן יַ֭חְתֹּף מִ֣י יְשִׁיבֶ֑/נּוּ מִֽי יֹאמַ֥ר אֵ֝לָ֗י/ו מַֽה תַּעֲשֶֽׂה־־׃
STATEN
Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?