NEVIIM

Jesaja 1

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
חֲזוֹן֙ יְשַֽׁעְיָ֣הוּ בֶן אָמ֔וֹץ אֲשֶׁ֣ר חָזָ֔ה עַל יְהוּדָ֖ה וִ/ירוּשָׁלִָ֑ם בִּ/ימֵ֨י עֻזִּיָּ֧הוּ יוֹתָ֛ם אָחָ֥ז יְחִזְקִיָּ֖הוּ מַלְכֵ֥י יְהוּדָֽה
STATEN

Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkía, de koningen van Juda.

2
שִׁמְע֤וּ שָׁמַ֨יִם֙ וְ/הַאֲזִ֣ינִי אֶ֔רֶץ כִּ֥י יְהוָ֖ה דִּבֵּ֑ר בָּנִים֙ גִּדַּ֣לְתִּי וְ/רוֹמַ֔מְתִּי וְ/הֵ֖ם פָּ֥שְׁעוּ בִֽ/י
STATEN

Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.

3
יָדַ֥ע שׁוֹר֙ קֹנֵ֔/הוּ וַ/חֲמ֖וֹר אֵב֣וּס בְּעָלָ֑י/ו יִשְׂרָאֵל֙ לֹ֣א יָדַ֔ע עַמִּ֖/י לֹ֥א הִתְבּוֹנָֽן
STATEN

Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.

4
ה֣וֹי גּ֣וֹי חֹטֵ֗א עַ֚ם כֶּ֣בֶד עָוֺ֔ן זֶ֣רַע מְרֵעִ֔ים בָּנִ֖ים מַשְׁחִיתִ֑ים עָזְב֣וּ אֶת יְהוָ֗ה נִֽאֲצ֛וּ אֶת קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל נָזֹ֥רוּ אָחֽוֹר
STATEN

Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.

5
עַ֣ל מֶ֥ה תֻכּ֛וּ ע֖וֹד תּוֹסִ֣יפוּ סָרָ֑ה כָּל רֹ֣אשׁ לָ/חֳלִ֔י וְ/כָל לֵבָ֖ב דַּוָּֽי
STATEN

Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.

6
מִ/כַּף רֶ֤גֶל וְ/עַד רֹאשׁ֙ אֵֽין בּ֣/וֹ מְתֹ֔ם פֶּ֥צַע וְ/חַבּוּרָ֖ה וּ/מַכָּ֣ה טְרִיָּ֑ה לֹא זֹ֨רוּ֙ וְ/לֹ֣א חֻבָּ֔שׁוּ וְ/לֹ֥א רֻכְּכָ֖ה בַּ/שָּֽׁמֶן
STATEN

Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.

7
אַרְצְ/כֶ֣ם שְׁמָמָ֔ה עָרֵי/כֶ֖ם שְׂרֻפ֣וֹת אֵ֑שׁ אַדְמַתְ/כֶ֗ם לְ/נֶגְדְּ/כֶם֙ זָרִים֙ אֹכְלִ֣ים אֹתָ֔/הּ וּ/שְׁמָמָ֖ה כְּ/מַהְפֵּכַ֥ת זָרִֽים
STATEN

Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden.

8
וְ/נוֹתְרָ֥ה בַת צִיּ֖וֹן כְּ/סֻכָּ֣ה בְ/כָ֑רֶם כִּ/מְלוּנָ֥ה בְ/מִקְשָׁ֖ה כְּ/עִ֥יר נְצוּרָֽה
STATEN

En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad.

9
לוּלֵי֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת הוֹתִ֥יר לָ֛/נוּ שָׂרִ֖יד כִּ/מְעָ֑ט כִּ/סְדֹ֣ם הָיִ֔ינוּ לַ/עֲמֹרָ֖ה דָּמִֽינוּ
STATEN

Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sódom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden.

10
שִׁמְע֥וּ דְבַר יְהוָ֖ה קְצִינֵ֣י סְדֹ֑ם הַאֲזִ֛ינוּ תּוֹרַ֥ת אֱלֹהֵ֖י/נוּ עַ֥ם עֲמֹרָֽה
STATEN

Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sódom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomórra!

11
לָ/מָּה לִּ֤/י רֹב זִבְחֵי/כֶם֙ יֹאמַ֣ר יְהוָ֔ה שָׂבַ֛עְתִּי עֹל֥וֹת אֵילִ֖ים וְ/חֵ֣לֶב מְרִיאִ֑ים וְ/דַ֨ם פָּרִ֧ים וּ/כְבָשִׂ֛ים וְ/עַתּוּדִ֖ים לֹ֥א חָפָֽצְתִּי
STATEN

Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken.

12
כִּ֣י תָבֹ֔אוּ לֵ/רָא֖וֹת פָּנָ֑/י מִי בִקֵּ֥שׁ זֹ֛את מִ/יֶּדְ/כֶ֖ם רְמֹ֥ס חֲצֵרָֽ/י
STATEN

Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt?

13
לֹ֣א תוֹסִ֗יפוּ הָבִיא֙ מִנְחַת שָׁ֔וְא קְטֹ֧רֶת תּוֹעֵבָ֛ה הִ֖יא לִ֑/י חֹ֤דֶשׁ וְ/שַׁבָּת֙ קְרֹ֣א מִקְרָ֔א לֹא אוּכַ֥ל אָ֖וֶן וַ/עֲצָרָֽה
STATEN

Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.

14
חָדְשֵׁי/כֶ֤ם וּ/מוֹעֲדֵי/כֶם֙ שָׂנְאָ֣ה נַפְשִׁ֔/י הָי֥וּ עָלַ֖/י לָ/טֹ֑רַח נִלְאֵ֖יתִי נְשֹֽׂא
STATEN

Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.

15
וּ/בְ/פָרִשְׂ/כֶ֣ם כַּפֵּי/כֶ֗ם אַעְלִ֤ים עֵינַ/י֙ מִ/כֶּ֔ם גַּ֛ם כִּֽי תַרְבּ֥וּ תְפִלָּ֖ה אֵינֶ֣/נִּי שֹׁמֵ֑עַ יְדֵי/כֶ֖ם דָּמִ֥ים מָלֵֽאוּ
STATEN

En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.

16
רַחֲצוּ֙ הִזַּכּ֔וּ הָסִ֛ירוּ רֹ֥עַ מַעַלְלֵי/כֶ֖ם מִ/נֶּ֣גֶד עֵינָ֑/י חִדְל֖וּ הָרֵֽעַ
STATEN

Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.

17
לִמְד֥וּ הֵיטֵ֛ב דִּרְשׁ֥וּ מִשְׁפָּ֖ט אַשְּׁר֣וּ חָמ֑וֹץ שִׁפְט֣וּ יָת֔וֹם רִ֖יבוּ אַלְמָנָֽה
STATEN

Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.

18
לְכוּ נָ֛א וְ/נִוָּֽכְחָ֖ה יֹאמַ֣ר יְהוָ֑ה אִם יִֽהְי֨וּ חֲטָאֵי/כֶ֤ם כַּ/שָּׁנִים֙ כַּ/שֶּׁ֣לֶג יַלְבִּ֔ינוּ אִם יַאְדִּ֥ימוּ כַ/תּוֹלָ֖ע כַּ/צֶּ֥מֶר יִהְיֽוּ
STATEN

Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

19
אִם תֹּאב֖וּ וּ/שְׁמַעְתֶּ֑ם ט֥וּב הָ/אָ֖רֶץ תֹּאכֵֽלוּ
STATEN

Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten;

20
וְ/אִם תְּמָאֲנ֖וּ וּ/מְרִיתֶ֑ם חֶ֣רֶב תְּאֻכְּל֔וּ כִּ֛י פִּ֥י יְהוָ֖ה דִּבֵּֽר
STATEN

Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.

21
אֵיכָה֙ הָיְתָ֣ה לְ/זוֹנָ֔ה קִרְיָ֖ה נֶאֱמָנָ֑ה מְלֵאֲתִ֣י מִשְׁפָּ֗ט צֶ֛דֶק יָלִ֥ין בָּ֖/הּ וְ/עַתָּ֥ה מְרַצְּחִֽים
STATEN

Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.

22
כַּסְפֵּ֖/ךְ הָיָ֣ה לְ/סִיגִ֑ים סָבְאֵ֖/ךְ מָה֥וּל בַּ/מָּֽיִם
STATEN

Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.

23
שָׂרַ֣יִ/ךְ סוֹרְרִ֗ים וְ/חַבְרֵי֙ גַּנָּבִ֔ים כֻּלּ/וֹ֙ אֹהֵ֣ב שֹׁ֔חַד וְ/רֹדֵ֖ף שַׁלְמֹנִ֑ים יָתוֹם֙ לֹ֣א יִשְׁפֹּ֔טוּ וְ/רִ֥יב אַלְמָנָ֖ה לֹֽא יָב֥וֹא אֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwe komt voor hen niet.

24
לָ/כֵ֗ן נְאֻ֤ם הָֽ/אָדוֹן֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת אֲבִ֖יר יִשְׂרָאֵ֑ל ה֚וֹי אֶנָּחֵ֣ם מִ/צָּרַ֔/י וְ/אִנָּקְמָ֖ה מֵ/אוֹיְבָֽ/י
STATEN

Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israëls: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.

25
וְ/אָשִׁ֤יבָה יָדִ/י֙ עָלַ֔יִ/ךְ וְ/אֶצְרֹ֥ף כַּ/בֹּ֖ר סִיגָ֑יִ/ךְ וְ/אָסִ֖ירָה כָּל בְּדִילָֽיִ/ךְ
STATEN

En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen.

26
וְ/אָשִׁ֤יבָה שֹׁפְטַ֨יִ/ךְ֙ כְּ/בָ/רִ֣אשֹׁנָ֔ה וְ/יֹעֲצַ֖יִ/ךְ כְּ/בַ/תְּחִלָּ֑ה אַחֲרֵי כֵ֗ן יִקָּ֤רֵא לָ/ךְ֙ עִ֣יר הַ/צֶּ֔דֶק קִרְיָ֖ה נֶאֱמָנָֽה
STATEN

En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.

27
צִיּ֖וֹן בְּ/מִשְׁפָּ֣ט תִּפָּדֶ֑ה וְ/שָׁבֶ֖י/הָ בִּ/צְדָקָֽה
STATEN

Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.

28
וְ/שֶׁ֧בֶר פֹּשְׁעִ֛ים וְ/חַטָּאִ֖ים יַחְדָּ֑ו וְ/עֹזְבֵ֥י יְהוָ֖ה יִכְלֽוּ
STATEN

Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen.

29
כִּ֣י יֵבֹ֔שׁוּ מֵ/אֵילִ֖ים אֲשֶׁ֣ר חֲמַדְתֶּ֑ם וְ/תַ֨חְפְּר֔וּ מֵ/הַ/גַּנּ֖וֹת אֲשֶׁ֥ר בְּחַרְתֶּֽם
STATEN

Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wil, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, om der hoven wil, die gij verkoren hebt.

30
כִּ֣י תִֽהְי֔וּ כְּ/אֵלָ֖ה נֹבֶ֣לֶת עָלֶ֑/הָ וּֽ/כְ/גַנָּ֔ה אֲשֶׁר מַ֖יִם אֵ֥ין לָֽ/הּ
STATEN

Want gij zult zijn als een eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.

31
וְ/הָיָ֤ה הֶ/חָסֹן֙ לִ/נְעֹ֔רֶת וּ/פֹעֲל֖/וֹ לְ/נִיצ֑וֹץ וּ/בָעֲר֧וּ שְׁנֵי/הֶ֛ם יַחְדָּ֖ו וְ/אֵ֥ין מְכַבֶּֽה
STATEN

En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.