Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 2

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַ/דָּבָר֙ אֲשֶׁ֣ר חָזָ֔ה יְשַֽׁעְיָ֖הוּ בֶּן אָמ֑וֹץ עַל יְהוּדָ֖ה וִ/ירוּשָׁלִָֽם־־׃
STATEN

Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.

2
וְ/הָיָ֣ה בְּ/אַחֲרִ֣ית הַ/יָּמִ֗ים נָכ֨וֹן יִֽהְיֶ֜ה הַ֤ר בֵּית יְהוָה֙ בְּ/רֹ֣אשׁ הֶ/הָרִ֔ים וְ/נִשָּׂ֖א מִ/גְּבָע֑וֹת וְ/נָהֲר֥וּ אֵלָ֖י/ו כָּל הַ/גּוֹיִֽם׀־־׃
STATEN

En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.

3
וְֽ/הָלְכ֞וּ עַמִּ֣ים רַבִּ֗ים וְ/אָמְרוּ֙ לְכ֣וּ וְ/נַעֲלֶ֣ה אֶל הַר יְהוָ֗ה אֶל בֵּית֙ אֱלֹהֵ֣י יַעֲקֹ֔ב וְ/יֹרֵ֨/נוּ֙ מִ/דְּרָכָ֔י/ו וְ/נֵלְכָ֖ה בְּ/אֹרְחֹתָ֑י/ו כִּ֤י מִ/צִּיּוֹן֙ תֵּצֵ֣א תוֹרָ֔ה וּ/דְבַר יְהוָ֖ה מִ/ירוּשָׁלִָֽם׀־־־־׃
STATEN

En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

4
וְ/שָׁפַט֙ בֵּ֣ין הַ/גּוֹיִ֔ם וְ/הוֹכִ֖יחַ לְ/עַמִּ֣ים רַבִּ֑ים וְ/כִתְּת֨וּ חַרְבוֹתָ֜/ם לְ/אִתִּ֗ים וַ/חֲנִיתֽוֹתֵי/הֶם֙ לְ/מַזְמֵר֔וֹת לֹא יִשָּׂ֨א ג֤וֹי אֶל גּוֹי֙ חֶ֔רֶב וְ/לֹא יִלְמְד֥וּ ע֖וֹד מִלְחָמָֽה־־־׃פ
STATEN

En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.

5
בֵּ֖ית יַעֲקֹ֑ב לְכ֥וּ וְ/נֵלְכָ֖ה בְּ/א֥וֹר יְהוָֽה׃
STATEN

Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.

6
כִּ֣י נָטַ֗שְׁתָּה עַמְּ/ךָ֙ בֵּ֣ית יַעֲקֹ֔ב כִּ֤י מָלְאוּ֙ מִ/קֶּ֔דֶם וְ/עֹֽנְנִ֖ים כַּ/פְּלִשְׁתִּ֑ים וּ/בְ/יַלְדֵ֥י נָכְרִ֖ים יַשְׂפִּֽיקוּ׃
STATEN

Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen.

7
וַ/תִּמָּלֵ֤א אַרְצ/וֹ֙ כֶּ֣סֶף וְ/זָהָ֔ב וְ/אֵ֥ין קֵ֖צֶה לְ/אֹצְרֹתָ֑י/ו וַ/תִּמָּלֵ֤א אַרְצ/וֹ֙ סוּסִ֔ים וְ/אֵ֥ין קֵ֖צֶה לְ/מַרְכְּבֹתָֽי/ו׃
STATEN

En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde.

8
וַ/תִּמָּלֵ֥א אַרְצ֖/וֹ אֱלִילִ֑ים לְ/מַעֲשֵׂ֤ה יָדָי/ו֙ יִֽשְׁתַּחֲו֔וּ לַ/אֲשֶׁ֥ר עָשׂ֖וּ אֶצְבְּעֹתָֽי/ו׃
STATEN

Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.

9
וַ/יִּשַּׁ֥ח אָדָ֖ם וַ/יִּשְׁפַּל אִ֑ישׁ וְ/אַל תִּשָּׂ֖א לָ/הֶֽם־־׃
STATEN

Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult Gij het hun niet vergeven.

10
בּ֣וֹא בַ/צּ֔וּר וְ/הִטָּמֵ֖ן בֶּֽ/עָפָ֑ר מִ/פְּנֵי֙ פַּ֣חַד יְהוָ֔ה וּ/מֵ/הֲדַ֖ר גְּאֹנֽ/וֹ׃
STATEN

Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.

11
עֵינֵ֞י גַּבְה֤וּת אָדָם֙ שָׁפֵ֔ל וְ/שַׁ֖ח ר֣וּם אֲנָשִׁ֑ים וְ/נִשְׂגַּ֧ב יְהוָ֛ה לְ/בַדּ֖/וֹ בַּ/יּ֥וֹם הַ/הֽוּא׃ס
STATEN

De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.

12
כִּ֣י י֞וֹם לַ/יהוָ֧ה צְבָא֛וֹת עַ֥ל כָּל גֵּאֶ֖ה וָ/רָ֑ם וְ/עַ֖ל כָּל נִשָּׂ֥א וְ/שָׁפֵֽל־־׃
STATEN

Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 2

Nog geen artikelen die specifiek naar Jesaja 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →