NEVIIM

Jesaja 10

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
ה֥וֹי הַ/חֹֽקְקִ֖ים חִקְקֵי אָ֑וֶן וּֽ/מְכַתְּבִ֥ים עָמָ֖ל כִּתֵּֽבוּ
STATEN

Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en den schrijvers, die moeite voorschrijven;

2
לְ/הַטּ֤וֹת מִ/דִּין֙ דַּלִּ֔ים וְ/לִ/גְזֹ֕ל מִשְׁפַּ֖ט עֲנִיֵּ֣י עַמִּ֑/י לִ/הְי֤וֹת אַלְמָנוֹת֙ שְׁלָלָ֔/ם וְ/אֶת יְתוֹמִ֖ים יָבֹֽזּוּ
STATEN

Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!

3
וּ/מַֽה תַּעֲשׂוּ֙ לְ/י֣וֹם פְּקֻדָּ֔ה וּ/לְ/שׁוֹאָ֖ה מִ/מֶּרְחָ֣ק תָּב֑וֹא עַל מִי֙ תָּנ֣וּסוּ לְ/עֶזְרָ֔ה וְ/אָ֥נָה תַעַזְב֖וּ כְּבוֹדְ/כֶֽם
STATEN

Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking, en der verwoesting, die van verre komen zal? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?

4
בִּלְתִּ֤י כָרַע֙ תַּ֣חַת אַסִּ֔יר וְ/תַ֥חַת הֲרוּגִ֖ים יִפֹּ֑לוּ בְּ/כָל זֹאת֙ לֹא שָׁ֣ב אַפּ֔/וֹ וְ/ע֖וֹד יָד֥/וֹ נְטוּיָֽה
STATEN

Dat elkeen zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

5
ה֥וֹי אַשּׁ֖וּר שֵׁ֣בֶט אַפִּ֑/י וּ/מַטֶּה ה֥וּא בְ/יָדָ֖/ם זַעְמִֽ/י
STATEN

Wee den Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!

6
בְּ/ג֤וֹי חָנֵף֙ אֲשַׁלְּחֶ֔/נּוּ וְ/עַל עַ֥ם עֶבְרָתִ֖/י אֲצַוֶּ֑/נּוּ לִ/שְׁלֹ֤ל שָׁלָל֙ וְ/לָ/בֹ֣ז בַּ֔ז ו/ל/שימ/ו מִרְמָ֖ס כְּ/חֹ֥מֶר חוּצֽוֹת וּ/לְ/שׂוּמ֥/וֹ
STATEN

Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk Mijner verbolgenheid; opdat hij den roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk der straten.

7
וְ/הוּא֙ לֹא כֵ֣ן יְדַמֶּ֔ה וּ/לְבָב֖/וֹ לֹא כֵ֣ן יַחְשֹׁ֑ב כִּ֚י לְ/הַשְׁמִ֣יד בִּ/לְבָב֔/וֹ וּ/לְ/הַכְרִ֥ית גּוֹיִ֖ם לֹ֥א מְעָֽט
STATEN

Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.

8
כִּ֖י יֹאמַ֑ר הֲ/לֹ֥א שָׂרַ֛/י יַחְדָּ֖ו מְלָכִֽים
STATEN

Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?

9
הֲ/לֹ֥א כְּ/כַרְכְּמִ֖ישׁ כַּלְנ֑וֹ אִם לֹ֤א כְ/אַרְפַּד֙ חֲמָ֔ת אִם לֹ֥א כְ/דַמֶּ֖שֶׂק שֹׁמְרֽוֹן
STATEN

Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damaskus?

10
כַּ/אֲשֶׁר֙ מָצְאָ֣ה יָדִ֔/י לְ/מַמְלְכֹ֖ת הָ/אֱלִ֑יל וּ/פְסִ֣ילֵי/הֶ֔ם מִ/ירֽוּשָׁלִַ֖ם וּ/מִ/שֹּׁמְרֽוֹן
STATEN

Gelijk als mijn hand gevonden heeft de koninkrijken der afgoden, ofschoon hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria;

11
הֲ/לֹ֗א כַּ/אֲשֶׁ֥ר עָשִׂ֛יתִי לְ/שֹׁמְר֖וֹן וְ/לֶ/אֱלִילֶ֑י/הָ כֵּ֛ן אֶעֱשֶׂ֥ה לִ/ירוּשָׁלִַ֖ם וְ/לַ/עֲצַבֶּֽי/הָ
STATEN

Gelijk als ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik alzo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden?

12
וְ/הָיָ֗ה כִּֽי יְבַצַּ֤ע אֲדֹנָ/י֙ אֶת כָּל מַֽעֲשֵׂ֔/הוּ בְּ/הַ֥ר צִיּ֖וֹן וּ/בִ/ירוּשָׁלִָ֑ם אֶפְקֹ֗ד עַל פְּרִי גֹ֨דֶל֙ לְבַ֣ב מֶֽלֶךְ אַשּׁ֔וּר וְ/עַל תִּפְאֶ֖רֶת ר֥וּם עֵינָֽי/ו
STATEN

Want het zal geschieden, als de Heere een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op den berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid des harten van den koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijner ogen.

13
כִּ֣י אָמַ֗ר בְּ/כֹ֤חַ יָדִ/י֙ עָשִׂ֔יתִי וּ/בְ/חָכְמָתִ֖/י כִּ֣י נְבֻנ֑וֹתִי וְ/אָסִ֣יר גְּבוּלֹ֣ת עַמִּ֗ים ו/עתידתי/הם שׁוֹשֵׂ֔תִי וְ/אוֹרִ֥יד כַּ/אבִּ֖יר יוֹשְׁבִֽים וַ/עֲתוּדֽוֹתֵי/הֶם֙
STATEN

Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;

14
וַ/תִּמְצָ֨א כַ/קֵּ֤ן יָדִ/י֙ לְ/חֵ֣יל הָֽ/עַמִּ֔ים וְ/כֶ/אֱסֹף֙ בֵּיצִ֣ים עֲזֻב֔וֹת כָּל הָ/אָ֖רֶץ אֲנִ֣י אָסָ֑פְתִּי וְ/לֹ֤א הָיָה֙ נֹדֵ֣ד כָּנָ֔ף וּ/פֹצֶ֥ה פֶ֖ה וּ/מְצַפְצֵֽף
STATEN

En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.

15
הֲ/יִתְפָּאֵר֙ הַ/גַּרְזֶ֔ן עַ֖ל הַ/חֹצֵ֣ב בּ֑/וֹ אִם יִתְגַּדֵּ֤ל הַ/מַּשּׂוֹר֙ עַל מְנִיפ֔/וֹ כְּ/הָנִ֥יף שֵׁ֨בֶט֙ וְ/אֶת מְרִימָ֔י/ו כְּ/הָרִ֥ים מַטֶּ֖ה לֹא עֵֽץ
STATEN

Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?

16
לָ֠/כֵן יְשַׁלַּ֨ח הָ/אָד֜וֹן יְהוָ֧ה צְבָא֛וֹת בְּ/מִשְׁמַנָּ֖י/ו רָז֑וֹן וְ/תַ֧חַת כְּבֹד֛/וֹ יֵקַ֥ד יְקֹ֖ד כִּ/יק֥וֹד אֵֽשׁ
STATEN

Daarom zal de Heere HEERE der heirscharen onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als den brand des vuurs.

17
וְ/הָיָ֤ה אֽוֹר יִשְׂרָאֵל֙ לְ/אֵ֔שׁ וּ/קְדוֹשׁ֖/וֹ לְ/לֶהָבָ֑ה וּ/בָעֲרָ֗ה וְ/אָֽכְלָ֛ה שִׁית֥/וֹ וּ/שְׁמִיר֖/וֹ בְּ/י֥וֹם אֶחָֽד
STATEN

Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op één dag.

18
וּ/כְב֤וֹד יַעְר/וֹ֙ וְ/כַרְמִלּ֔/וֹ מִ/נֶּ֥פֶשׁ וְ/עַד בָּשָׂ֖ר יְכַלֶּ֑ה וְ/הָיָ֖ה כִּ/מְסֹ֥ס נֹסֵֽס
STATEN

Ook zal Hij verteren de heerlijkheid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt.

19
וּ/שְׁאָ֥ר עֵ֛ץ יַעְר֖/וֹ מִסְפָּ֣ר יִֽהְי֑וּ וְ/נַ֖עַר יִכְתְּבֵֽ/ם
STATEN

En de overgebleven bomen zijns wouds zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.

20
וְ/הָיָ֣ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא לֹֽא יוֹסִ֨יף ע֜וֹד שְׁאָ֤ר יִשְׂרָאֵל֙ וּ/פְלֵיטַ֣ת בֵּֽית יַעֲקֹ֔ב לְ/הִשָּׁעֵ֖ן עַל מַכֵּ֑/הוּ וְ/נִשְׁעַ֗ן עַל יְהוָ֛ה קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל בֶּ/אֱמֶֽת
STATEN

En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op den HEERE, den Heilige Israëls, oprechtelijk.

21
שְׁאָ֥ר יָשׁ֖וּב שְׁאָ֣ר יַעֲקֹ֑ב אֶל אֵ֖ל גִּבּֽוֹר
STATEN

Het overblijfsel zal wederkeren, het overblijfsel van Jakob, tot den sterken God!

22
כִּ֣י אִם יִהְיֶ֞ה עַמְּ/ךָ֤ יִשְׂרָאֵל֙ כְּ/ח֣וֹל הַ/יָּ֔ם שְׁאָ֖ר יָשׁ֣וּב בּ֑/וֹ כִּלָּי֥וֹן חָר֖וּץ שׁוֹטֵ֥ף צְדָקָֽה
STATEN

Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.

23
כִּ֥י כָלָ֖ה וְ/נֶחֱרָצָ֑ה אֲדֹנָ֤/י יְהוִה֙ צְבָא֔וֹת עֹשֶׂ֖ה בְּ/קֶ֥רֶב כָּל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden dezes gansen lands.

24
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֞ר אֲדֹנָ֤/י יְהוִה֙ צְבָא֔וֹת אַל תִּירָ֥א עַמִּ֛/י יֹשֵׁ֥ב צִיּ֖וֹן מֵֽ/אַשּׁ֑וּר בַּ/שֵּׁ֣בֶט יַכֶּ֔/כָּה וּ/מַטֵּ֥/הוּ יִשָּֽׂא עָלֶ֖י/ךָ בְּ/דֶ֥רֶךְ מִצְרָֽיִם
STATEN

Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren;

25
כִּי ע֖וֹד מְעַ֣ט מִזְעָ֑ר וְ/כָ֣לָה זַ֔עַם וְ/אַפִּ֖/י עַל תַּבְלִיתָֽ/ם
STATEN

Want nog een klein weinig, zo zal volbracht worden de gramschap, en Mijn toorn tot hun vernieling.

26
וְ/עוֹרֵ֨ר עָלָ֜י/ו יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ שׁ֔וֹט כְּ/מַכַּ֥ת מִדְיָ֖ן בְּ/צ֣וּר עוֹרֵ֑ב וּ/מַטֵּ֨/הוּ֙ עַל הַ/יָּ֔ם וּ/נְשָׂא֖/וֹ בְּ/דֶ֥רֶךְ מִצְרָֽיִם
STATEN

Want de HEERE der heirscharen zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, denwelken Hij verheffen zal, naar de wijze der Egyptenaren.

27
וְ/הָיָ֣ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא יָס֤וּר סֻבֳּל/וֹ֙ מֵ/עַ֣ל שִׁכְמֶ֔/ךָ וְ/עֻלּ֖/וֹ מֵ/עַ֣ל צַוָּארֶ֑/ךָ וְ/חֻבַּ֥ל עֹ֖ל מִ/פְּנֵי שָֽׁמֶן
STATEN

En het zal geschieden ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, om des Gezalfden wil.

28
בָּ֥א עַל עַיַּ֖ת עָבַ֣ר בְּ/מִגְר֑וֹן לְ/מִכְמָ֖שׂ יַפְקִ֥יד כֵּלָֽי/ו
STATEN

Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af.

29
עָֽבְרוּ֙ מַעְבָּרָ֔ה גֶּ֖בַע מָל֣וֹן לָ֑/נוּ חָֽרְדָה֙ הָֽ/רָמָ֔ה גִּבְעַ֥ת שָׁא֖וּל נָֽסָה
STATEN

Zij trekken door den doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gíbea Sauls vlucht.

30
צַהֲלִ֥י קוֹלֵ֖/ךְ בַּת גַּלִּ֑ים הַקְשִׁ֥יבִי לַ֖יְשָׁה עֲנִיָּ֥ה עֲנָתֽוֹת
STATEN

Roep luide met uw stem, gij dochter van Gallim! laat ze horen tot Laïs toe, o ellendige Anathoth!

31
נָדְדָ֖ה מַדְמֵנָ֑ה יֹשְׁבֵ֥י הַ/גֵּבִ֖ים הֵעִֽיזוּ
STATEN

Madména vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.

32
ע֥וֹד הַ/יּ֖וֹם בְּ/נֹ֣ב לַֽ/עֲמֹ֑ד יְנֹפֵ֤ף יָד/וֹ֙ הַ֣ר בית צִיּ֔וֹן גִּבְעַ֖ת יְרוּשָׁלִָֽם בַּת
STATEN

Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal zijn hand bewegen tegen den berg der dochter van Sion, den heuvel van Jeruzalem.

33
הִנֵּ֤ה הָ/אָדוֹן֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת מְסָעֵ֥ף פֻּארָ֖ה בְּ/מַעֲרָצָ֑ה וְ/רָמֵ֤י הַ/קּוֹמָה֙ גְּדוּעִ֔ים וְ/הַ/גְּבֹהִ֖ים יִשְׁפָּֽלוּ
STATEN

Doch ziet, de Heere HEERE der heirscharen zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen nedergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden.

34
וְ/נִקַּ֛ף סִֽבְכֵ֥י הַ/יַּ֖עַר בַּ/בַּרְזֶ֑ל וְ/הַ/לְּבָנ֖וֹן בְּ/אַדִּ֥יר יִפּֽוֹל
STATEN

En Hij zal met ijzer de verwarde struiken des wouds omhouwen; en de Libanon zal vallen door den Heerlijke.