NEVIIM

Jesaja 48

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
שִׁמְעוּ זֹ֣את בֵּֽית יַעֲקֹ֗ב הַ/נִּקְרָאִים֙ בְּ/שֵׁ֣ם יִשְׂרָאֵ֔ל וּ/מִ/מֵּ֥י יְהוּדָ֖ה יָצָ֑אוּ הַֽ/נִּשְׁבָּעִ֣ים בְּ/שֵׁ֣ם יְהוָ֗ה וּ/בֵ/אלֹהֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ יַזְכִּ֔ירוּ לֹ֥א בֶ/אֱמֶ֖ת וְ/לֹ֥א בִ/צְדָקָֽה
STATEN

Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israëls, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.

2
כִּֽי מֵ/עִ֤יר הַ/קֹּ֨דֶשׁ֙ נִקְרָ֔אוּ וְ/עַל אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל נִסְמָ֑כוּ יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת שְׁמֽ/וֹ
STATEN

Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israëls; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

3
הָ/רִֽאשֹׁנוֹת֙ מֵ/אָ֣ז הִגַּ֔דְתִּי וּ/מִ/פִּ֥/י יָצְא֖וּ וְ/אַשְׁמִיעֵ֑/ם פִּתְאֹ֥ם עָשִׂ֖יתִי וַ/תָּבֹֽאנָה
STATEN

De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;

4
מִ/דַּעְתִּ֕/י כִּ֥י קָשֶׁ֖ה אָ֑תָּה וְ/גִ֤יד בַּרְזֶל֙ עָרְפֶּ֔/ךָ וּ/מִצְחֲ/ךָ֖ נְחוּשָֽׁה
STATEN

Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;

5
וָ/אַגִּ֤יד לְ/ךָ֙ מֵ/אָ֔ז בְּ/טֶ֥רֶם תָּב֖וֹא הִשְׁמַעְתִּ֑י/ךָ פֶּן תֹּאמַר֙ עָצְבִּ֣/י עָשָׂ֔/ם וּ/פִסְלִ֥/י וְ/נִסְכִּ֖/י צִוָּֽ/ם
STATEN

Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.

6
שָׁמַ֤עְתָּֽ חֲזֵה֙ כֻּלָּ֔/הּ וְ/אַתֶּ֖ם הֲ/ל֣וֹא תַגִּ֑ידוּ הִשְׁמַעְתִּ֤י/ךָ חֲדָשׁוֹת֙ מֵ/עַ֔תָּה וּ/נְצֻר֖וֹת וְ/לֹ֥א יְדַעְתָּֽ/ם
STATEN

Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.

7
עַתָּ֤ה נִבְרְאוּ֙ וְ/לֹ֣א מֵ/אָ֔ז וְ/לִ/פְנֵי י֖וֹם וְ/לֹ֣א שְׁמַעְתָּ֑/ם פֶּן תֹּאמַ֖ר הִנֵּ֥ה יְדַעְתִּֽי/ן
STATEN

Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.

8
גַּ֣ם לֹֽא שָׁמַ֗עְתָּ גַּ֚ם לֹ֣א יָדַ֔עְתָּ גַּ֕ם מֵ/אָ֖ז לֹא פִתְּחָ֣ה אָזְנֶ֑/ךָ כִּ֤י יָדַ֨עְתִּי֙ בָּג֣וֹד תִּבְגּ֔וֹד וּ/פֹשֵׁ֥עַ מִ/בֶּ֖טֶן קֹ֥רָא לָֽ/ךְ
STATEN

Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.

9
לְמַ֤עַן שְׁמִ/י֙ אַאֲרִ֣יךְ אַפִּ֔/י וּ/תְהִלָּתִ֖/י אֶחֱטָם לָ֑/ךְ לְ/בִלְתִּ֖י הַכְרִיתֶֽ/ךָ
STATEN

Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.

10
הִנֵּ֥ה צְרַפְתִּ֖י/ךָ וְ/לֹ֣א בְ/כָ֑סֶף בְּחַרְתִּ֖י/ךָ בְּ/כ֥וּר עֹֽנִי
STATEN

Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.

11
לְמַעֲנִ֧/י לְמַעֲנִ֛/י אֶעֱשֶׂ֖ה כִּ֣י אֵ֣יךְ יֵחָ֑ל וּ/כְבוֹדִ֖/י לְ/אַחֵ֥ר לֹֽא אֶתֵּֽן
STATEN

Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.

12
שְׁמַ֤ע אֵלַ/י֙ יַֽעֲקֹ֔ב וְ/יִשְׂרָאֵ֖ל מְקֹרָאִ֑/י אֲנִי הוּא֙ אֲנִ֣י רִאשׁ֔וֹן אַ֖ף אֲנִ֥י אַחֲרֽוֹן
STATEN

Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.

13
אַף יָדִ/י֙ יָ֣סְדָה אֶ֔רֶץ וִֽ/ימִינִ֖/י טִפְּחָ֣ה שָׁמָ֑יִם קֹרֵ֥א אֲנִ֛י אֲלֵי/הֶ֖ם יַעַמְד֥וּ יַחְדָּֽו
STATEN

Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.

14
הִקָּבְצ֤וּ כֻלְּ/כֶם֙ וּֽ/שֲׁמָ֔עוּ מִ֥י בָ/הֶ֖ם הִגִּ֣יד אֶת אֵ֑לֶּה יְהוָ֣ה אֲהֵב֔/וֹ יַעֲשֶׂ֤ה חֶפְצ/וֹ֙ בְּ/בָבֶ֔ל וּ/זְרֹע֖/וֹ כַּשְׂדִּֽים
STATEN

Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn.

15
אֲנִ֥י אֲנִ֛י דִּבַּ֖רְתִּי אַף קְרָאתִ֑י/ו הֲבִיאֹתִ֖י/ו וְ/הִצְלִ֥יחַ דַּרְכּֽ/וֹ
STATEN

Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.

16
קִרְב֧וּ אֵלַ֣/י שִׁמְעוּ זֹ֗את לֹ֤א מֵ/רֹאשׁ֙ בַּ/סֵּ֣תֶר דִּבַּ֔רְתִּי מֵ/עֵ֥ת הֱיוֹתָ֖/הּ שָׁ֣ם אָ֑נִי וְ/עַתָּ֗ה אֲדֹנָ֧/י יְהוִ֛ה שְׁלָחַ֖/נִי וְ/רוּחֽ/וֹ
STATEN

Nadert gijlieden tot mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft mij gezonden.

17
כֹּֽה אָמַ֧ר יְהוָ֛ה גֹּאַלְ/ךָ֖ קְד֣וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֑ל אֲנִ֨י יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ מְלַמֶּדְ/ךָ֣ לְ/הוֹעִ֔יל מַדְרִֽיכֲ/ךָ֖ בְּ/דֶ֥רֶךְ תֵּלֵֽךְ
STATEN

Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.

18
ל֥וּא הִקְשַׁ֖בְתָּ לְ/מִצְוֺתָ֑/י וַ/יְהִ֤י כַ/נָּהָר֙ שְׁלוֹמֶ֔/ךָ וְ/צִדְקָתְ/ךָ֖ כְּ/גַלֵּ֥י הַ/יָּֽם
STATEN

Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.

19
וַ/יְהִ֤י כַ/חוֹל֙ זַרְעֶ֔/ךָ וְ/צֶאֱצָאֵ֥י מֵעֶ֖י/ךָ כִּ/מְעֹתָ֑י/ו לֹֽא יִכָּרֵ֧ת וְֽ/לֹא יִשָּׁמֵ֛ד שְׁמ֖/וֹ מִ/לְּ/פָנָֽ/י
STATEN

Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.

20
צְא֣וּ מִ/בָּבֶל֮ בִּרְח֣וּ מִ/כַּשְׂדִּים֒ בְּ/ק֣וֹל רִנָּ֗ה הַגִּ֤ידוּ הַשְׁמִ֨יעוּ֙ זֹ֔את הוֹצִיא֖וּ/הָ עַד קְצֵ֣ה הָ/אָ֑רֶץ אִמְר֕וּ גָּאַ֥ל יְהוָ֖ה עַבְדּ֥/וֹ יַעֲקֹֽב
STATEN

Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!

21
וְ/לֹ֣א צָמְא֗וּ בָּ/חֳרָבוֹת֙ הֽוֹלִיכָ֔/ם מַ֥יִם מִ/צּ֖וּר הִזִּ֣יל לָ֑/מוֹ וַ/יִּ֨בְקַע צ֔וּר וַ/יָּזֻ֖בוּ מָֽיִם
STATEN

En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.

22
אֵ֣ין שָׁל֔וֹם אָמַ֥ר יְהוָ֖ה לָ/רְשָׁעִֽים
STATEN

Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.