NEVIIM

Jesaja 32

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
הֵ֥ן לְ/צֶ֖דֶק יִמְלָךְ מֶ֑לֶךְ וּ/לְ/שָׂרִ֖ים לְ/מִשְׁפָּ֥ט יָשֹֽׂרוּ
STATEN

Ziet, een Koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.

2
וְ/הָיָה אִ֥ישׁ כְּ/מַֽחֲבֵא ר֖וּחַ וְ/סֵ֣תֶר זָ֑רֶם כְּ/פַלְגֵי מַ֣יִם בְּ/צָי֔וֹן כְּ/צֵ֥ל סֶֽלַע כָּבֵ֖ד בְּ/אֶ֥רֶץ עֲיֵפָֽה
STATEN

En die Man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.

3
וְ/לֹ֥א תִשְׁעֶ֖ינָה עֵינֵ֣י רֹאִ֑ים וְ/אָזְנֵ֥י שֹׁמְעִ֖ים תִּקְשַֽׁבְנָה
STATEN

En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

4
וּ/לְבַ֥ב נִמְהָרִ֖ים יָבִ֣ין לָ/דָ֑עַת וּ/לְשׁ֣וֹן עִלְּגִ֔ים תְּמַהֵ֖ר לְ/דַבֵּ֥ר צָחֽוֹת
STATEN

En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn, om bescheidenlijk te spreken.

5
לֹֽא יִקָּרֵ֥א ע֛וֹד לְ/נָבָ֖ל נָדִ֑יב וּ/לְ/כִילַ֕י לֹ֥א יֵֽאָמֵ֖ר שֽׁוֹעַ
STATEN

De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden.

6
כִּ֤י נָבָל֙ נְבָלָ֣ה יְדַבֵּ֔ר וְ/לִבּ֖/וֹ יַעֲשֶׂה אָ֑וֶן לַ/עֲשׂ֣וֹת חֹ֗נֶף וּ/לְ/דַבֵּ֤ר אֶל יְהוָה֙ תּוֹעָ֔ה לְ/הָרִיק֙ נֶ֣פֶשׁ רָעֵ֔ב וּ/מַשְׁקֶ֥ה צָמֵ֖א יַחְסִֽיר
STATEN

Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen den HEERE, om de ziel des hongerigen ledig te laten, en den dorstige drank te doen ontbreken.

7
וְ/כֵלַ֖י כֵּלָ֣י/ו רָעִ֑ים ה֚וּא זִמּ֣וֹת יָעָ֔ץ לְ/חַבֵּ֤ל ענוים בְּ/אִמְרֵי שֶׁ֔קֶר וּ/בְ/דַבֵּ֥ר אֶבְי֖וֹן מִשְׁפָּֽט עֲנִיִּים֙
STATEN

En eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.

8
וְ/נָדִ֖יב נְדִיב֣וֹת יָעָ֑ץ וְ/ה֖וּא עַל נְדִיב֥וֹת יָקֽוּם
STATEN

Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden.

9
נָשִׁים֙ שַֽׁאֲנַנּ֔וֹת קֹ֖מְנָה שְׁמַ֣עְנָה קוֹלִ֑/י בָּנוֹת֙ בֹּֽטח֔וֹת הַאְזֵ֖נָּה אִמְרָתִֽ/י
STATEN

Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijn stem; gij dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore.

10
יָמִים֙ עַל שָׁנָ֔ה תִּרְגַּ֖זְנָה בֹּֽטְח֑וֹת כִּ֚י כָּלָ֣ה בָצִ֔יר אֹ֖סֶף בְּלִ֥י יָבֽוֹא
STATEN

Vele dagen over het jaar zult gij beroerd zijn, gij dochters, die zo zeker zijt, want de wijnoogst zal uit zijn, er zal geen inzameling komen.

11
חִרְדוּ֙ שַֽׁאֲנַנּ֔וֹת רְגָ֖זָה בֹּֽטְח֑וֹת פְּשֹׁ֣טָֽה וְ/עֹ֔רָה וַ/חֲג֖וֹרָה עַל חֲלָצָֽיִם
STATEN

Beeft, gij geruste vrouwen; weest beroerd, dochters, die zo zeker zijt; trekt u uit, en ontbloot u, en gordt zakken om uw lendenen.

12
עַל שָׁדַ֖יִם סֹֽפְדִ֑ים עַל שְׂדֵי חֶ֕מֶד עַל גֶּ֖פֶן פֹּרִיָּֽה
STATEN

Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken.

13
עַ֚ל אַדְמַ֣ת עַמִּ֔/י ק֥וֹץ שָׁמִ֖יר תַּֽעֲלֶ֑ה כִּ֚י עַל כָּל בָּתֵּ֣י מָשׂ֔וֹשׂ קִרְיָ֖ה עַלִּיזָֽה
STATEN

Op het land mijns volks zal de doorn en de distel opgaan; ja, op alle vreugdehuizen, in de vrolijk huppelende stad.

14
כִּֽי אַרְמ֣וֹן נֻטָּ֔שׁ הֲמ֥וֹן עִ֖יר עֻזָּ֑ב עֹ֣פֶל וָ/בַ֜חַן הָיָ֨ה בְעַ֤ד מְעָרוֹת֙ עַד עוֹלָ֔ם מְשׂ֥וֹשׂ פְּרָאִ֖ים מִרְעֵ֥ה עֲדָרִֽים
STATEN

Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel der stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn, tot in der eeuwigheid, een vreugde der woudezelen, een weide der kudden.

15
עַד יֵ֨עָרֶ֥ה עָלֵ֛י/נוּ ר֖וּחַ מִ/מָּר֑וֹם וְ/הָיָ֤ה מִדְבָּר֙ לַ/כַּרְמֶ֔ל ו/כרמל לַ/יַּ֥עַר יֵחָשֵֽׁב וְ/הַ/כַּרְמֶ֖ל
STATEN

Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden.

16
וְ/שָׁכַ֥ן בַּ/מִּדְבָּ֖ר מִשְׁפָּ֑ט וּ/צְדָקָ֖ה בַּ/כַּרְמֶ֥ל תֵּשֵֽׁב
STATEN

En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven.

17
וְ/הָיָ֛ה מַעֲשֵׂ֥ה הַ/צְּדָקָ֖ה שָׁל֑וֹם וַֽ/עֲבֹדַת֙ הַ/צְּדָקָ֔ה הַשְׁקֵ֥ט וָ/בֶ֖טַח עַד עוֹלָֽם
STATEN

En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.

18
וְ/יָשַׁ֥ב עַמִּ֖/י בִּ/נְוֵ֣ה שָׁל֑וֹם וּֽ/בְ/מִשְׁכְּנוֹת֙ מִבְטַחִ֔ים וּ/בִ/מְנוּחֹ֖ת שַׁאֲנַנּֽוֹת
STATEN

En mijn volk zal in een woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen.

19
וּ/בָרַ֖ד בְּ/רֶ֣דֶת הַ/יָּ֑עַר וּ/בַ/שִּׁפְלָ֖ה תִּשְׁפַּ֥ל הָ/עִֽיר
STATEN

Maar het zal hagelen, waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte.

20
אַשְׁרֵי/כֶ֕ם זֹרְעֵ֖י עַל כָּל מָ֑יִם מְשַׁלְּחֵ֥י רֶֽגֶל הַ/שּׁ֖וֹר וְ/הַ/חֲמֽוֹר
STATEN

Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait; gij, die den voet des osses en des ezels derwaarts henenzendt!