NEVIIM

Jesaja 62

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
לְמַ֤עַן צִיּוֹן֙ לֹ֣א אֶחֱשֶׁ֔ה וּ/לְמַ֥עַן יְרוּשָׁלִַ֖ם לֹ֣א אֶשְׁק֑וֹט עַד יֵצֵ֤א כַ/נֹּ֨גַהּ֙ צִדְקָ֔/הּ וִ/ישׁוּעָתָ֖/הּ כְּ/לַפִּ֥יד יִבְעָֽר
STATEN

Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt.

2
וְ/רָא֤וּ גוֹיִם֙ צִדְקֵ֔/ךְ וְ/כָל מְלָכִ֖ים כְּבוֹדֵ֑/ךְ וְ/קֹ֤רָא לָ/ךְ֙ שֵׁ֣ם חָדָ֔שׁ אֲשֶׁ֛ר פִּ֥י יְהוָ֖ה יִקֳּבֶֽ/נּוּ
STATEN

En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, welken des HEEREN mond uitdrukkelijk noemen zal.

3
וְ/הָיִ֛יתְ עֲטֶ֥רֶת תִּפְאֶ֖רֶת בְּ/יַד יְהוָ֑ה ו/צנוף מְלוּכָ֖ה בְּ/כַף אֱלֹהָֽיִ/ךְ וּ/צְנִ֥יף
STATEN

En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.

4
לֹֽא יֵאָמֵר֩ לָ֨/ךְ ע֜וֹד עֲזוּבָ֗ה וּ/לְ/אַרְצֵ/ךְ֙ לֹא יֵאָמֵ֥ר עוֹד֙ שְׁמָמָ֔ה כִּ֣י לָ֗/ךְ יִקָּרֵא֙ חֶפְצִי בָ֔הּ וּ/לְ/אַרְצֵ֖/ךְ בְּעוּלָ֑ה כִּֽי חָפֵ֤ץ יְהוָה֙ בָּ֔/ךְ וְ/אַרְצֵ֖/ךְ תִּבָּעֵֽל
STATEN

Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want de HEERE heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden.

5
כִּֽי יִבְעַ֤ל בָּחוּר֙ בְּתוּלָ֔ה יִבְעָל֖וּ/ךְ בָּנָ֑יִ/ךְ וּ/מְשׂ֤וֹשׂ חָתָן֙ עַל כַּלָּ֔ה יָשִׂ֥ישׂ עָלַ֖יִ/ךְ אֱלֹהָֽיִ/ךְ
STATEN

Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.

6
עַל חוֹמֹתַ֣יִ/ךְ יְרוּשָׁלִַ֗ם הִפְקַ֨דְתִּי֙ שֹֽׁמְרִ֔ים כָּל הַ/יּ֧וֹם וְ/כָל הַ/לַּ֛יְלָה תָּמִ֖יד לֹ֣א יֶחֱשׁ֑וּ הַ/מַּזְכִּרִים֙ אֶת יְהוָ֔ה אַל דֳּמִ֖י לָ/כֶֽם
STATEN

O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!

7
וְ/אַֽל תִּתְּנ֥וּ דֳמִ֖י ל֑/וֹ עַד יְכוֹנֵ֞ן וְ/עַד יָשִׂ֧ים אֶת יְרֽוּשָׁלִַ֛ם תְּהִלָּ֖ה בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde.

8
נִשְׁבַּ֧ע יְהוָ֛ה בִּֽ/ימִינ֖/וֹ וּ/בִ/זְר֣וֹעַ עֻזּ֑/וֹ אִם אֶתֵּן֩ אֶת דְּגָנֵ֨/ךְ ע֤וֹד מַֽאֲכָל֙ לְ/אֹ֣יְבַ֔יִ/ךְ וְ/אִם יִשְׁתּ֤וּ בְנֵֽי נֵכָר֙ תִּֽירוֹשֵׁ֔/ךְ אֲשֶׁ֥ר יָגַ֖עַתְּ בּֽ/וֹ
STATEN

De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij den arm Zijner sterkte: indien Ik uw koren meer zal geven tot spijs voor uw vijanden, en indien de vreemden zullen drinken van uw most, waaraan gij gearbeid hebt!

9
כִּ֤י מְאַסְפָי/ו֙ יֹאכְלֻ֔/הוּ וְ/הִֽלְל֖וּ אֶת יְהוָ֑ה וּֽ/מְקַבְּצָ֥י/ו יִשְׁתֻּ֖/הוּ בְּ/חַצְר֥וֹת קָדְשִֽׁ/י
STATEN

Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen den HEERE prijzen; en die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven Mijns heiligdoms.

10
עִבְר֤וּ עִבְרוּ֙ בַּ/שְּׁעָרִ֔ים פַּנּ֖וּ דֶּ֣רֶךְ הָ/עָ֑ם סֹ֣לּוּ סֹ֤לּוּ הַֽ/מְסִלָּה֙ סַקְּל֣וּ מֵ/אֶ֔בֶן הָרִ֥ימוּ נֵ֖ס עַל הָ/עַמִּֽים
STATEN

Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken!

11
הִנֵּ֣ה יְהוָ֗ה הִשְׁמִ֨יעַ֙ אֶל קְצֵ֣ה הָ/אָ֔רֶץ אִמְרוּ֙ לְ/בַת צִיּ֔וֹן הִנֵּ֥ה יִשְׁעֵ֖/ךְ בָּ֑א הִנֵּ֤ה שְׂכָר/וֹ֙ אִתּ֔/וֹ וּ/פְעֻלָּת֖/וֹ לְ/פָנָֽי/ו
STATEN

Ziet, de HEERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt der dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.

12
וְ/קָרְא֥וּ לָ/הֶ֛ם עַם הַ/קֹּ֖דֶשׁ גְּאוּלֵ֣י יְהוָ֑ה וְ/לָ/ךְ֙ יִקָּרֵ֣א דְרוּשָׁ֔ה עִ֖יר לֹ֥א נֶעֱזָֽבָה
STATEN

En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.