Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 11

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/יָצָ֥א חֹ֖טֶר מִ/גֵּ֣זַע יִשָׁ֑י וְ/נֵ֖צֶר מִ/שָּׁרָשָׁ֥י/ו יִפְרֶֽה׃
STATEN

Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.

2
וְ/נָחָ֥ה עָלָ֖י/ו ר֣וּחַ יְהוָ֑ה ר֧וּחַ חָכְמָ֣ה וּ/בִינָ֗ה ר֤וּחַ עֵצָה֙ וּ/גְבוּרָ֔ה ר֥וּחַ דַּ֖עַת וְ/יִרְאַ֥ת יְהוָֽה׃
STATEN

En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.

3
וַ/הֲרִיח֖/וֹ בְּ/יִרְאַ֣ת יְהוָ֑ה וְ/לֹֽא לְ/מַרְאֵ֤ה עֵינָי/ו֙ יִשְׁפּ֔וֹט וְ/לֹֽא לְ/מִשְׁמַ֥ע אָזְנָ֖י/ו יוֹכִֽיחַ־־׃
STATEN

En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.

4
וְ/שָׁפַ֤ט בְּ/צֶ֨דֶק֙ דַּלִּ֔ים וְ/הוֹכִ֥יחַ בְּ/מִישׁ֖וֹר לְ/עַנְוֵי אָ֑רֶץ וְ/הִֽכָּה אֶ֨רֶץ֙ בְּ/שֵׁ֣בֶט פִּ֔י/ו וּ/בְ/ר֥וּחַ שְׂפָתָ֖י/ו יָמִ֥ית רָשָֽׁע־־׃
STATEN

Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.

5
וְ/הָ֥יָה צֶ֖דֶק אֵז֣וֹר מָתְנָ֑י/ו וְ/הָ/אֱמוּנָ֖ה אֵז֥וֹר חֲלָצָֽי/ו׃
STATEN

Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.

6
וְ/גָ֤ר זְאֵב֙ עִם כֶּ֔בֶשׂ וְ/נָמֵ֖ר עִם גְּדִ֣י יִרְבָּ֑ץ וְ/עֵ֨גֶל וּ/כְפִ֤יר וּ/מְרִיא֙ יַחְדָּ֔ו וְ/נַ֥עַר קָטֹ֖ן נֹהֵ֥ג בָּֽ/ם־־׃
STATEN

En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.

7
וּ/פָרָ֤ה וָ/דֹב֙ תִּרְעֶ֔ינָה יַחְדָּ֖ו יִרְבְּצ֣וּ יַלְדֵי/הֶ֑ן וְ/אַרְיֵ֖ה כַּ/בָּקָ֥ר יֹֽאכַל תֶּֽבֶן־׃
STATEN

De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.

8
וְ/שִֽׁעֲשַׁ֥ע יוֹנֵ֖ק עַל חֻ֣ר פָּ֑תֶן וְ/עַל֙ מְאוּרַ֣ת צִפְעוֹנִ֔י גָּמ֖וּל יָד֥/וֹ הָדָֽה־׃
STATEN

En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in den kuil van den basilisk.

9
לֹֽא יָרֵ֥עוּ וְ/לֹֽא יַשְׁחִ֖יתוּ בְּ/כָל הַ֣ר קָדְשִׁ֑/י כִּֽי מָלְאָ֣ה הָ/אָ֗רֶץ דֵּעָה֙ אֶת יְהוָ֔ה כַּ/מַּ֖יִם לַ/יָּ֥ם מְכַסִּֽים־־־־־׃פ
STATEN

Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.

10
וְ/הָיָה֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא שֹׁ֣רֶשׁ יִשַׁ֗י אֲשֶׁ֤ר עֹמֵד֙ לְ/נֵ֣ס עַמִּ֔ים אֵלָ֖י/ו גּוֹיִ֣ם יִדְרֹ֑שׁוּ וְ/הָיְתָ֥ה מְנֻחָת֖/וֹ כָּבֽוֹד׃פ
STATEN

Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.

11
וְ/הָיָ֣ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא יוֹסִ֨יף אֲדֹנָ֤/י שֵׁנִית֙ יָד֔/וֹ לִ/קְנ֖וֹת אֶת שְׁאָ֣ר עַמּ֑/וֹ אֲשֶׁ֣ר יִשָּׁאֵר֩ מֵ/אַשּׁ֨וּר וּ/מִ/מִּצְרַ֜יִם וּ/מִ/פַּתְר֣וֹס וּ/מִ/כּ֗וּשׁ וּ/מֵ/עֵילָ֤ם וּ/מִ/שִּׁנְעָר֙ וּ/מֵ֣/חֲמָ֔ת וּ/מֵ/אִיֵּ֖י הַ/יָּֽם׀׀־׃
STATEN

Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sínear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.

12
וְ/נָשָׂ֥א נֵס֙ לַ/גּוֹיִ֔ם וְ/אָסַ֖ף נִדְחֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וּ/נְפֻצ֤וֹת יְהוּדָה֙ יְקַבֵּ֔ץ מֵ/אַרְבַּ֖ע כַּנְפ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ׃
STATEN

En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 11

Artikelen waarin De Naamdragers schrijvers naar deze passage verwijzen.