Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 3

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
כִּי֩ הִנֵּ֨ה הָ/אָד֜וֹן יְהוָ֣ה צְבָא֗וֹת מֵסִ֤יר מִ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ וּ/מִ֣/יהוּדָ֔ה מַשְׁעֵ֖ן וּ/מַשְׁעֵנָ֑ה כֹּ֚ל מִשְׁעַן לֶ֔חֶם וְ/כֹ֖ל מִשְׁעַן מָֽיִם־־׃
STATEN

Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters;

2
גִּבּ֖וֹר וְ/אִ֣ישׁ מִלְחָמָ֑ה שׁוֹפֵ֥ט וְ/נָבִ֖יא וְ/קֹסֵ֥ם וְ/זָקֵֽן׃
STATEN

Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;

3
שַׂר חֲמִשִּׁ֖ים וּ/נְשׂ֣וּא פָנִ֑ים וְ/יוֹעֵ֛ץ וַ/חֲכַ֥ם חֲרָשִׁ֖ים וּ/נְב֥וֹן לָֽחַשׁ־׃
STATEN

Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.

4
וְ/נָתַתִּ֥י נְעָרִ֖ים שָׂרֵי/הֶ֑ם וְ/תַעֲלוּלִ֖ים יִמְשְׁלוּ בָֽ/ם־׃
STATEN

En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;

5
וְ/נִגַּ֣שׂ הָ/עָ֔ם אִ֥ישׁ בְּ/אִ֖ישׁ וְ/אִ֣ישׁ בְּ/רֵעֵ֑/הוּ יִרְהֲב֗וּ הַ/נַּ֨עַר֙ בַּ/זָּקֵ֔ן וְ/הַ/נִּקְלֶ֖ה בַּ/נִּכְבָּֽד׃
STATEN

En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.

6
כִּֽי יִתְפֹּ֨שׂ אִ֤ישׁ בְּ/אָחִי/ו֙ בֵּ֣ית אָבִ֔י/ו שִׂמְלָ֣ה לְ/כָ֔ה קָצִ֖ין תִּֽהְיֶה לָּ֑/נוּ וְ/הַ/מַּכְשֵׁלָ֥ה הַ/זֹּ֖את תַּ֥חַת יָדֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;

7
יִשָּׂא֩ בַ/יּ֨וֹם הַ/ה֤וּא לֵ/אמֹר֙ לֹא אֶהְיֶ֣ה חֹבֵ֔שׁ וּ/בְ/בֵיתִ֕/י אֵ֥ין לֶ֖חֶם וְ/אֵ֣ין שִׂמְלָ֑ה לֹ֥א תְשִׂימֻ֖/נִי קְצִ֥ין עָֽם׀־׃
STATEN

Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.

8
כִּ֤י כָשְׁלָה֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וִ/יהוּדָ֖ה נָפָ֑ל כִּֽי לְשׁוֹנָ֤/ם וּ/מַֽעַלְלֵי/הֶם֙ אֶל יְהוָ֔ה לַ/מְר֖וֹת עֵנֵ֥י כְבוֹדֽ/וֹ־־׃
STATEN

Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en zijn handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.

9
הַכָּרַ֤ת פְּנֵי/הֶם֙ עָ֣נְתָה בָּ֔/ם וְ/חַטָּאתָ֛/ם כִּ/סְדֹ֥ם הִגִּ֖ידוּ לֹ֣א כִחֵ֑דוּ א֣וֹי לְ/נַפְשָׁ֔/ם כִּֽי גָמְל֥וּ לָ/הֶ֖ם רָעָֽה־׃
STATEN

Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sódom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.

10
אִמְר֥וּ צַדִּ֖יק כִּי ט֑וֹב כִּֽי פְרִ֥י מַעַלְלֵי/הֶ֖ם יֹאכֵֽלוּ־־׃
STATEN

Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.

11
א֖וֹי לְ/רָשָׁ֣ע רָ֑ע כִּֽי גְמ֥וּל יָדָ֖י/ו יֵעָ֥שֶׂה לּֽ/וֹ־׃
STATEN

Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.

12
עַמִּ/י֙ נֹגְשָׂ֣י/ו מְעוֹלֵ֔ל וְ/נָשִׁ֖ים מָ֣שְׁלוּ ב֑/וֹ עַמִּ/י֙ מְאַשְּׁרֶ֣י/ךָ מַתְעִ֔ים וְ/דֶ֥רֶךְ אֹֽרְחֹתֶ֖י/ךָ בִּלֵּֽעוּ׃ס
STATEN

De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 3

Nog geen artikelen die specifiek naar Jesaja 3 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →