NEVIIM

Jesaja 29

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
ה֚וֹי אֲרִיאֵ֣ל אֲרִיאֵ֔ל קִרְיַ֖ת חָנָ֣ה דָוִ֑ד סְפ֥וּ שָׁנָ֛ה עַל שָׁנָ֖ה חַגִּ֥ים יִנְקֹֽפוּ
STATEN

Wee Aríël, Aríël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten.

2
וַ/הֲצִיק֖וֹתִי לַֽ/אֲרִיאֵ֑ל וְ/הָיְתָ֤ה תַֽאֲנִיָּה֙ וַֽ/אֲנִיָּ֔ה וְ/הָ֥יְתָה לִּ֖/י כַּ/אֲרִיאֵֽל
STATEN

Evenwel zal Ik Aríël beangstigen, en er zal treuring en droefheid wezen, en die stad zal Mij gelijk Aríël zijn.

3
וְ/חָנִ֥יתִי כַ/דּ֖וּר עָלָ֑יִ/ךְ וְ/צַרְתִּ֤י עָלַ֨יִ/ךְ֙ מֻצָּ֔ב וַ/הֲקִֽימֹתִ֥י עָלַ֖יִ/ךְ מְצֻרֹֽת
STATEN

Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen.

4
וְ/שָׁפַלְתְּ֙ מֵ/אֶ֣רֶץ תְּדַבֵּ֔רִי וּ/מֵֽ/עָפָ֖ר תִּשַּׁ֣ח אִמְרָתֵ֑/ךְ וְֽ֠/הָיָה כְּ/א֤וֹב מֵ/אֶ֨רֶץ֙ קוֹלֵ֔/ךְ וּ/מֵ/עָפָ֖ר אִמְרָתֵ֥/ךְ תְּצַפְצֵֽף
STATEN

Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen.

5
וְ/הָיָ֛ה כְּ/אָבָ֥ק דַּ֖ק הֲמ֣וֹן זָרָ֑יִ/ךְ וּ/כְ/מֹ֤ץ עֹבֵר֙ הֲמ֣וֹן עָֽרִיצִ֔ים וְ/הָיָ֖ה לְ/פֶ֥תַע פִּתְאֹֽם
STATEN

En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastelijk geschieden.

6
מֵ/עִ֨ם יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ תִּפָּקֵ֔ד בְּ/רַ֥עַם וּ/בְ/רַ֖עַשׁ וְ/ק֣וֹל גָּד֑וֹל סוּפָה֙ וּ/סְעָרָ֔ה וְ/לַ֖הַב אֵ֥שׁ אוֹכֵלָֽה
STATEN

Gij zult van den HEERE der heirscharen bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweder, en de vlam eens verterenden vuurs.

7
וְ/הָיָ֗ה כַּֽ/חֲלוֹם֙ חֲז֣וֹן לַ֔יְלָה הֲמוֹן֙ כָּל הַ/גּוֹיִ֔ם הַ/צֹּבְאִ֖ים עַל אֲרִיאֵ֑ל וְ/כָל צֹבֶ֨י/הָ֙ וּ/מְצֹ֣דָתָ֔/הּ וְ/הַ/מְּצִיקִ֖ים לָֽ/הּ
STATEN

En gelijk de droom van een nachtgezicht is, alzo zal de veelheid aller heidenen zijn, die tegen Aríël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar beangstigen zullen.

8
וְ/הָיָ֡ה כַּ/אֲשֶׁר֩ יַחֲלֹ֨ם הָ/רָעֵ֜ב וְ/הִנֵּ֣ה אוֹכֵ֗ל וְ/הֵקִיץ֮ וְ/רֵיקָ֣ה נַפְשׁ/וֹ֒ וְ/כַ/אֲשֶׁ֨ר יַחֲלֹ֤ם הַ/צָּמֵא֙ וְ/הִנֵּ֣ה שֹׁתֶ֔ה וְ/הֵקִיץ֙ וְ/הִנֵּ֣ה עָיֵ֔ף וְ/נַפְשׁ֖/וֹ שׁוֹקֵקָ֑ה כֵּ֣ן יִֽהְיֶ֗ה הֲמוֹן֙ כָּל הַ/גּוֹיִ֔ם הַ/צֹּבְאִ֖ים עַל הַ֥ר צִיּֽוֹן
STATEN

Het zal alzo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; alzo zal de menigte aller heidenen zijn, die tegen den berg Sion krijgen.

9
הִתְמַהְמְה֣וּ וּ/תְמָ֔הוּ הִשְׁתַּֽעַשְׁע֖וּ וָ/שֹׁ֑עוּ שָֽׁכְר֣וּ וְ/לֹא יַ֔יִן נָע֖וּ וְ/לֹ֥א שֵׁכָֽר
STATEN

Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank.

10
כִּֽי נָסַ֨ךְ עֲלֵי/כֶ֤ם יְהוָה֙ ר֣וּחַ תַּרְדֵּמָ֔ה וַ/יְעַצֵּ֖ם אֶת עֵֽינֵי/כֶ֑ם אֶת הַ/נְּבִיאִ֛ים וְ/אֶת רָאשֵׁי/כֶ֥ם הַ/חֹזִ֖ים כִּסָּֽה
STATEN

Want de HEERE heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.

11
וַ/תְּהִ֨י לָ/כֶ֜ם חָז֣וּת הַ/כֹּ֗ל כְּ/דִבְרֵי֮ הַ/סֵּ֣פֶר הֶֽ/חָתוּם֒ אֲשֶֽׁר יִתְּנ֣וּ אֹת֗/וֹ אֶל יוֹדֵ֥עַ ה/ספר לֵ/אמֹ֖ר קְרָ֣א נָא זֶ֑ה וְ/אָמַר֙ לֹ֣א אוּכַ֔ל כִּ֥י חָת֖וּם הֽוּא סֵ֛פֶר
STATEN

Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, hetwelk men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.

12
וְ/נִתַּ֣ן הַ/סֵּ֗פֶר עַל֩ אֲשֶׁ֨ר לֹֽא יָדַ֥ע סֵ֛פֶר לֵ/אמֹ֖ר קְרָ֣א נָא זֶ֑ה וְ/אָמַ֕ר לֹ֥א יָדַ֖עְתִּי סֵֽפֶר
STATEN

Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.

13
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲדֹנָ֗/י יַ֚עַן כִּ֤י נִגַּשׁ֙ הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה בְּ/פִ֤י/ו וּ/בִ/שְׂפָתָי/ו֙ כִּבְּד֔וּ/נִי וְ/לִבּ֖/וֹ רִחַ֣ק מִמֶּ֑/נִּי וַ/תְּהִ֤י יִרְאָתָ/ם֙ אֹתִ֔/י מִצְוַ֥ת אֲנָשִׁ֖ים מְלֻמָּדָֽה
STATEN

Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;

14
לָ/כֵ֗ן הִנְ/נִ֥י יוֹסִ֛ף לְ/הַפְלִ֥יא אֶת הָֽ/עָם הַ/זֶּ֖ה הַפְלֵ֣א וָ/פֶ֑לֶא וְ/אָֽבְדָה֙ חָכְמַ֣ת חֲכָמָ֔י/ו וּ/בִינַ֥ת נְבֹנָ֖י/ו תִּסְתַּתָּֽר
STATEN

Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen.

15
ה֛וֹי הַ/מַּעֲמִיקִ֥ים מֵֽ/יהוָ֖ה לַ/סְתִּ֣ר עֵצָ֑ה וְ/הָיָ֤ה בְ/מַחְשָׁךְ֙ מַֽעֲשֵׂי/הֶ֔ם וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ מִ֥י רֹאֵ֖/נוּ וּ/מִ֥י יוֹדְעֵֽ/נוּ
STATEN

Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?

16
הַ֨פְכְּ/כֶ֔ם אִם כְּ/חֹ֥מֶר הַ/יֹּצֵ֖ר יֵֽחָשֵׁ֑ב כִּֽי יֹאמַ֨ר מַעֲשֶׂ֤ה לְ/עֹשֵׂ֨/הוּ֙ לֹ֣א עָשָׂ֔/נִי וְ/יֵ֛צֶר אָמַ֥ר לְ/יוֹצְר֖/וֹ לֹ֥א הֵבִֽין
STATEN

Ulieder omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijn pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet.

17
הֲ/לוֹא עוֹד֙ מְעַ֣ט מִזְעָ֔ר וְ/שָׁ֥ב לְבָנ֖וֹן לַ/כַּרְמֶ֑ל וְ/הַ/כַּרְמֶ֖ל לַ/יַּ֥עַר יֵחָשֵֽׁב
STATEN

Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?

18
וְ/שָׁמְע֧וּ בַ/יּוֹם הַ/ה֛וּא הַ/חֵרְשִׁ֖ים דִּבְרֵי סֵ֑פֶר וּ/מֵ/אֹ֣פֶל וּ/מֵ/חֹ֔שֶׁךְ עֵינֵ֥י עִוְרִ֖ים תִּרְאֶֽינָה
STATEN

En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.

19
וְ/יָסְפ֧וּ עֲנָוִ֛ים בַּֽ/יהוָ֖ה שִׂמְחָ֑ה וְ/אֶבְיוֹנֵ֣י אָדָ֔ם בִּ/קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל יָגִֽילוּ
STATEN

En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in den Heilige Israëls verheugen.

20
כִּֽי אָפֵ֥ס עָרִ֖יץ וְ/כָ֣לָה לֵ֑ץ וְ/נִכְרְת֖וּ כָּל שֹׁ֥קְדֵי אָֽוֶן
STATEN

Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;

21
מַחֲטִיאֵ֤י אָדָם֙ בְּ/דָבָ֔ר וְ/לַ/מּוֹכִ֥יחַ בַּ/שַּׁ֖עַר יְקֹשׁ֑וּ/ן וַ/יַּטּ֥וּ בַ/תֹּ֖הוּ צַדִּֽיק
STATEN

Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.

22
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֶל בֵּ֣ית יַֽעֲקֹ֔ב אֲשֶׁ֥ר פָּדָ֖ה אֶת אַבְרָהָ֑ם לֹֽא עַתָּ֤ה יֵבוֹשׁ֙ יַֽעֲקֹ֔ב וְ/לֹ֥א עַתָּ֖ה פָּנָ֥י/ו יֶחֱוָֽרוּ
STATEN

Daarom zegt de HEERE, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob alzo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden;

23
כִּ֣י בִ֠/רְאֹת/וֹ יְלָדָ֞י/ו מַעֲשֵׂ֥ה יָדַ֛/י בְּ/קִרְבּ֖/וֹ יַקְדִּ֣ישֽׁוּ שְׁמִ֑/י וְ/הִקְדִּ֨ישׁוּ֙ אֶת קְד֣וֹשׁ יַֽעֲקֹ֔ב וְ/אֶת אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל יַעֲרִֽיצוּ
STATEN

Want als hij zijn kinderen, het werk Mijner handen, zien zal in het midden van hem, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen den Heilige Jakobs heiligen, en den God van Israël vrezen.

24
וְ/יָדְע֥וּ תֹֽעֵי ר֖וּחַ בִּינָ֑ה וְ/רוֹגְנִ֖ים יִלְמְדוּ לֶֽקַח
STATEN

En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de lering aannemen.