NEVIIM

Jesaja 6

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
בִּ/שְׁנַת מוֹת֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ עֻזִּיָּ֔הוּ וָ/אֶרְאֶ֧ה אֶת אֲדֹנָ֛/י יֹשֵׁ֥ב עַל כִּסֵּ֖א רָ֣ם וְ/נִשָּׂ֑א וְ/שׁוּלָ֖י/ו מְלֵאִ֥ים אֶת הַ/הֵיכָֽל
STATEN

In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.

2
שְׂרָפִ֨ים עֹמְדִ֤ים מִ/מַּ֨עַל֙ ל֔/וֹ שֵׁ֧שׁ כְּנָפַ֛יִם שֵׁ֥שׁ כְּנָפַ֖יִם לְ/אֶחָ֑ד בִּ/שְׁתַּ֣יִם יְכַסֶּ֣ה פָנָ֗י/ו וּ/בִ/שְׁתַּ֛יִם יְכַסֶּ֥ה רַגְלָ֖י/ו וּ/בִ/שְׁתַּ֥יִם יְעוֹפֵֽף
STATEN

De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.

3
וְ/קָרָ֨א זֶ֤ה אֶל זֶה֙ וְ/אָמַ֔ר קָד֧וֹשׁ קָד֛וֹשׁ קָד֖וֹשׁ יְהוָ֣ה צְבָא֑וֹת מְלֹ֥א כָל הָ/אָ֖רֶץ כְּבוֹדֽ/וֹ
STATEN

En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!

4
וַ/יָּנֻ֨עוּ֙ אַמּ֣וֹת הַ/סִּפִּ֔ים מִ/קּ֖וֹל הַ/קּוֹרֵ֑א וְ/הַ/בַּ֖יִת יִמָּלֵ֥א עָשָֽׁן
STATEN

Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook.

5
וָ/אֹמַ֞ר אֽוֹי לִ֣/י כִֽי נִדְמֵ֗יתִי כִּ֣י אִ֤ישׁ טְמֵֽא שְׂפָתַ֨יִם֙ אָנֹ֔כִי וּ/בְ/תוֹךְ֙ עַם טְמֵ֣א שְׂפָתַ֔יִם אָנֹכִ֖י יוֹשֵׁ֑ב כִּ֗י אֶת הַ/מֶּ֛לֶךְ יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת רָא֥וּ עֵינָֽ/י
STATEN

Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.

6
וַ/יָּ֣עָף אֵלַ֗/י אֶחָד֙ מִן הַ/שְּׂרָפִ֔ים וּ/בְ/יָד֖/וֹ רִצְפָּ֑ה בְּ/מֶ֨לְקַחַ֔יִם לָקַ֖ח מֵ/עַ֥ל הַ/מִּזְבֵּֽחַ
STATEN

Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.

7
וַ/יַּגַּ֣ע עַל פִּ֔/י וַ/יֹּ֕אמֶר הִנֵּ֛ה נָגַ֥ע זֶ֖ה עַל שְׂפָתֶ֑י/ךָ וְ/סָ֣ר עֲוֺנֶ֔/ךָ וְ/חַטָּאתְ/ךָ֖ תְּכֻפָּֽר
STATEN

En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.

8
וָ/אֶשְׁמַ֞ע אֶת ק֤וֹל אֲדֹנָ/י֙ אֹמֵ֔ר אֶת מִ֥י אֶשְׁלַ֖ח וּ/מִ֣י יֵֽלֶךְ לָ֑/נוּ וָ/אֹמַ֖ר הִנְ/נִ֥י שְׁלָחֵֽ/נִי
STATEN

Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.

9
וַ/יֹּ֕אמֶר לֵ֥ךְ וְ/אָמַרְתָּ֖ לָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֑ה שִׁמְע֤וּ שָׁמ֨וֹעַ֙ וְ/אַל תָּבִ֔ינוּ וּ/רְא֥וּ רָא֖וֹ וְ/אַל תֵּדָֽעוּ
STATEN

Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.

10
הַשְׁמֵן֙ לֵב הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה וְ/אָזְנָ֥י/ו הַכְבֵּ֖ד וְ/עֵינָ֣י/ו הָשַׁ֑ע פֶּן יִרְאֶ֨ה בְ/עֵינָ֜י/ו וּ/בְ/אָזְנָ֣י/ו יִשְׁמָ֗ע וּ/לְבָב֥/וֹ יָבִ֛ין וָ/שָׁ֖ב וְ/רָ֥פָא לֽ/וֹ
STATEN

Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.

11
וָ/אֹמַ֕ר עַד מָתַ֖י אֲדֹנָ֑/י וַ/יֹּ֡אמֶר עַ֣ד אֲשֶׁר֩ אִם שָׁא֨וּ עָרִ֜ים מֵ/אֵ֣ין יוֹשֵׁ֗ב וּ/בָתִּים֙ מֵ/אֵ֣ין אָדָ֔ם וְ/הָ/אֲדָמָ֖ה תִּשָּׁאֶ֥ה שְׁמָמָֽה
STATEN

Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde.

12
וְ/רִחַ֥ק יְהוָ֖ה אֶת הָ/אָדָ֑ם וְ/רַבָּ֥ה הָ/עֲזוּבָ֖ה בְּ/קֶ֥רֶב הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.

13
וְ/ע֥וֹד בָּ/הּ֙ עֲשִׂ֣רִיָּ֔ה וְ/שָׁ֖בָה וְ/הָיְתָ֣ה לְ/בָעֵ֑ר כָּ/אֵלָ֣ה וְ/כָ/אַלּ֗וֹן אֲשֶׁ֤ר בְּ/שַׁלֶּ֨כֶת֙ מַצֶּ֣בֶת בָּ֔/ם זֶ֥רַע קֹ֖דֶשׁ מַצַּבְתָּֽ/הּ
STATEN

Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.