Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 21

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
מַשָּׂ֖א מִדְבַּר יָ֑ם כְּ/סוּפ֤וֹת בַּ/נֶּ֨גֶב֙ לַֽ/חֲלֹ֔ף מִ/מִּדְבָּ֣ר בָּ֔א מֵ/אֶ֖רֶץ נוֹרָאָֽה־׃
STATEN

De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.

2
חָז֥וּת קָשָׁ֖ה הֻגַּד לִ֑/י הַ/בּוֹגֵ֤ד בּוֹגֵד֙ וְ/הַ/שּׁוֹדֵ֣ד שׁוֹדֵ֔ד עֲלִ֤י עֵילָם֙ צוּרִ֣י מָדַ֔י כָּל אַנְחָתָ֖/ה הִשְׁבַּֽתִּי־׀׀־׃
STATEN

Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.

3
עַל כֵּ֗ן מָלְא֤וּ מָתְנַ/י֙ חַלְחָלָ֔ה צִירִ֣ים אֲחָז֔וּ/נִי כְּ/צִירֵ֖י יֽוֹלֵדָ֑ה נַעֲוֵ֣יתִי מִ/שְּׁמֹ֔עַ נִבְהַ֖לְתִּי מֵ/רְאֽוֹת־׃
STATEN

Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

4
תָּעָ֣ה לְבָבִ֔/י פַּלָּצ֖וּת בִּֽעֲתָ֑תְ/נִי אֵ֚ת נֶ֣שֶׁף חִשְׁקִ֔/י שָׂ֥ם לִ֖/י לַ/חֲרָדָֽה׃
STATEN

Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

5
עָרֹ֧ךְ הַ/שֻּׁלְחָ֛ן צָפֹ֥ה הַ/צָּפִ֖ית אָכ֣וֹל שָׁתֹ֑ה ק֥וּמוּ הַ/שָּׂרִ֖ים מִשְׁח֥וּ מָגֵֽן׃פ
STATEN

Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild!

6
כִּ֣י כֹ֥ה אָמַ֛ר אֵלַ֖/י אֲדֹנָ֑/י לֵ֚ךְ הַעֲמֵ֣ד הַֽ/מְצַפֶּ֔ה אֲשֶׁ֥ר יִרְאֶ֖ה יַגִּֽיד׃
STATEN

Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.

7
וְ/רָ֣אָה רֶ֗כֶב צֶ֚מֶד פָּֽרָשִׁ֔ים רֶ֥כֶב חֲמ֖וֹר רֶ֣כֶב גָּמָ֑ל וְ/הִקְשִׁ֥יב קֶ֖שֶׁב רַב קָֽשֶׁב־׃
STATEN

En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte er zeer nauw op, met grote opmerking.

8
וַ/יִּקְרָ֖א אַרְיֵ֑ה עַל מִצְפֶּ֣ה אֲדֹנָ֗/י אָנֹכִ֞י עֹמֵ֤ד תָּמִיד֙ יוֹמָ֔ם וְ/עַל מִ֨שְׁמַרְתִּ֔/י אָנֹכִ֥י נִצָּ֖ב כָּל הַ/לֵּילֽוֹת־׀־־׃
STATEN

En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten.

9
וְ/הִנֵּה זֶ֥ה בָא֙ רֶ֣כֶב אִ֔ישׁ צֶ֖מֶד פָּֽרָשִׁ֑ים וַ/יַּ֣עַן וַ/יֹּ֗אמֶר נָפְלָ֤ה נָֽפְלָה֙ בָּבֶ֔ל וְ/כָל פְּסִילֵ֥י אֱלֹהֶ֖י/הָ שִׁבַּ֥ר לָ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.

10
מְדֻשָׁתִ֖/י וּ/בֶן גָּרְנִ֑/י אֲשֶׁ֣ר שָׁמַ֗עְתִּי מֵ/אֵ֨ת יְהוָ֧ה צְבָא֛וֹת אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל הִגַּ֥דְתִּי לָ/כֶֽם־׃ס
STATEN

O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israëls, dat heb ik ulieden aangezegd.

11
מַשָּׂ֖א דּוּמָ֑ה אֵלַ/י֙ קֹרֵ֣א מִ/שֵּׂעִ֔יר שֹׁמֵר֙ מַה מִ/לַּ֔יְלָה שֹׁמֵ֖ר מַה מִ/לֵּֽיל־־׃
STATEN

De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht?

12
אָמַ֣ר שֹׁמֵ֔ר אָתָ֥ה בֹ֖קֶר וְ/גַם לָ֑יְלָה אִם תִּבְעָי֥וּ/ן בְּעָ֖יוּ שֻׁ֥בוּ אֵתָֽיוּ־־׃ס
STATEN

De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt.

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 21

Nog geen artikelen die specifiek naar Jesaja 21 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →