NEVIIM

Jesaja 27

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֡וּא יִפְקֹ֣ד יְהוָה֩ בְּ/חַרְב֨/וֹ הַ/קָּשָׁ֜ה וְ/הַ/גְּדוֹלָ֣ה וְ/הַֽ/חֲזָקָ֗ה עַ֤ל לִוְיָתָן֙ נָחָ֣שׁ בָּרִ֔חַ וְ/עַל֙ לִוְיָתָ֔ן נָחָ֖שׁ עֲקַלָּת֑וֹן וְ/הָרַ֥ג אֶת הַ/תַּנִּ֖ין אֲשֶׁ֥ר בַּ/יָּֽם
STATEN

Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.

2
בַּ/יּ֖וֹם הַ/ה֑וּא כֶּ֥רֶם חֶ֖מֶד עַנּוּ לָֽ/הּ
STATEN

Te dien dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.

3
אֲנִ֤י יְהוָה֙ נֹֽצְרָ֔/הּ לִ/רְגָעִ֖ים אַשְׁקֶ֑/נָּה פֶּ֚ן יִפְקֹ֣ד עָלֶ֔י/הָ לַ֥יְלָה וָ/י֖וֹם אֶצֳּרֶֽ/נָּה
STATEN

Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

4
חֵמָ֖ה אֵ֣ין לִ֑/י מִֽי יִתְּנֵ֜/נִי שָׁמִ֥יר שַׁ֨יִת֙ בַּ/מִּלְחָמָ֔ה אֶפְשְׂעָ֥ה בָ֖/הּ אֲצִיתֶ֥/נָּה יָּֽחַד
STATEN

Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?

5
א֚וֹ יַחֲזֵ֣ק בְּ/מָעוּזִּ֔/י יַעֲשֶׂ֥ה שָׁל֖וֹם לִ֑/י שָׁל֖וֹם יַֽעֲשֶׂה לִּֽ/י
STATEN

Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.

6
הַ/בָּאִים֙ יַשְׁרֵ֣שׁ יַֽעֲקֹ֔ב יָצִ֥יץ וּ/פָרַ֖ח יִשְׂרָאֵ֑ל וּ/מָלְא֥וּ פְנֵי תֵבֵ֖ל תְּנוּבָֽה
STATEN

In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen.

7
הַ/כְּ/מַכַּ֥ת מַכֵּ֖/הוּ הִכָּ֑/הוּ אִם כְּ/הֶ֥רֶג הֲרֻגָ֖י/ו הֹרָֽג
STATEN

Heeft Hij hem geslagen, gelijk Hij dien geslagen heeft, die hem sloeg? Is hij gedood, gelijk zijn gedoden gedood zijn geworden?

8
בְּ/סַּאסְּאָ֖ה בְּ/שַׁלְחָ֣/הּ תְּרִיבֶ֑/נָּה הָגָ֛ה בְּ/רוּח֥/וֹ הַ/קָּשָׁ֖ה בְּ/י֥וֹם קָדִֽים
STATEN

Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.

9
לָ/כֵ֗ן בְּ/זֹאת֙ יְכֻפַּ֣ר עֲוֺֽן יַעֲקֹ֔ב וְ/זֶ֕ה כָּל פְּרִ֖י הָסִ֣ר חַטָּאת֑/וֹ בְּ/שׂוּמ֣/וֹ כָּל אַבְנֵ֣י מִזְבֵּ֗חַ כְּ/אַבְנֵי גִר֙ מְנֻפָּצ֔וֹת לֹֽא יָקֻ֥מוּ אֲשֵׁרִ֖ים וְ/חַמָּנִֽים
STATEN

Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de ganse vrucht, dat Hij deszelfs zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen des altaars maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan.

10
כִּ֣י עִ֤יר בְּצוּרָה֙ בָּדָ֔ד נָוֶ֕ה מְשֻׁלָּ֥ח וְ/נֶעֱזָ֖ב כַּ/מִּדְבָּ֑ר שָׁ֣ם יִרְעֶ֥ה עֵ֛גֶל וְ/שָׁ֥ם יִרְבָּ֖ץ וְ/כִלָּ֥ה סְעִפֶֽי/הָ
STATEN

Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstoten en verlaten worden, gelijk een woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen, en zullen haar takken verslinden.

11
בִּ/יבֹ֤שׁ קְצִירָ/הּ֙ תִּשָּׁבַ֔רְנָה נָשִׁ֕ים בָּא֖וֹת מְאִיר֣וֹת אוֹתָ֑/הּ כִּ֣י לֹ֤א עַם בִּינוֹת֙ ה֔וּא עַל כֵּן֙ לֹֽא יְרַחֲמֶ֣/נּוּ עֹשֵׂ֔/הוּ וְ/יֹצְר֖/וֹ לֹ֥א יְחֻנֶּֽ/נּוּ
STATEN

Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze aansteken; want het is geen volk van enig verstand; daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft, Zich deszelven niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft, zal aan hetzelve geen genade bewijzen.

12
וְ/הָיָה֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא יַחְבֹּ֧ט יְהוָ֛ה מִ/שִּׁבֹּ֥לֶת הַ/נָּהָ֖ר עַד נַ֣חַל מִצְרָ֑יִם וְ/אַתֶּ֧ם תְּלֻקְּט֛וּ לְ/אַחַ֥ד אֶחָ֖ד בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE dorsen zal, van den stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte; doch gijlieden zult opgelezen worden, een bij een, o gij kinderen Israëls!

13
וְ/הָיָ֣ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא יִתָּקַע֮ בְּ/שׁוֹפָ֣ר גָּדוֹל֒ וּ/בָ֗אוּ הָ/אֹֽבְדִים֙ בְּ/אֶ֣רֶץ אַשּׁ֔וּר וְ/הַ/נִּדָּחִ֖ים בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/הִשְׁתַּחֲו֧וּ לַ/יהוָ֛ה בְּ/הַ֥ר הַ/קֹּ֖דֶשׁ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

En het zal te dien dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de heengedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen den HEERE aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem.