NEVIIM

Jesaja 58

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
קְרָ֤א בְ/גָרוֹן֙ אַל תַּחְשֹׂ֔ךְ כַּ/שּׁוֹפָ֖ר הָרֵ֣ם קוֹלֶ֑/ךָ וְ/הַגֵּ֤ד לְ/עַמִּ/י֙ פִּשְׁעָ֔/ם וּ/לְ/בֵ֥ית יַעֲקֹ֖ב חַטֹּאתָֽ/ם
STATEN

Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.

2
וְ/אוֹתִ֗/י י֥וֹם יוֹם֙ יִדְרֹשׁ֔וּ/ן וְ/דַ֥עַת דְּרָכַ֖/י יֶחְפָּצ֑וּ/ן כְּ/ג֞וֹי אֲשֶׁר צְדָקָ֣ה עָשָׂ֗ה וּ/מִשְׁפַּ֤ט אֱלֹהָי/ו֙ לֹ֣א עָזָ֔ב יִשְׁאָל֨וּ/נִי֙ מִשְׁפְּטֵי צֶ֔דֶק קִרְבַ֥ת אֱלֹהִ֖ים יֶחְפָּצֽוּ/ן
STATEN

Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis Mijner wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten der gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen;

3
לָ֤/מָּה צַּ֨מְנוּ֙ וְ/לֹ֣א רָאִ֔יתָ עִנִּ֥ינוּ נַפְשֵׁ֖/נוּ וְ/לֹ֣א תֵדָ֑ע הֵ֣ן בְּ/י֤וֹם צֹֽמְ/כֶם֙ תִּמְצְאוּ חֵ֔פֶץ וְ/כָל עַצְּבֵי/כֶ֖ם תִּנְגֹּֽשׂוּ
STATEN

Zeggende: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet? Ziet, ten dage, wanneer gijlieden vast, zo vindt gij uw lust, en gij eist strengelijk al uw arbeid.

4
הֵ֣ן לְ/רִ֤יב וּ/מַצָּה֙ תָּצ֔וּמוּ וּ/לְ/הַכּ֖וֹת בְּ/אֶגְרֹ֣ף רֶ֑שַׁע לֹא תָצ֣וּמוּ כַ/יּ֔וֹם לְ/הַשְׁמִ֥יעַ בַּ/מָּר֖וֹם קוֹלְ/כֶֽם
STATEN

Ziet, tot twist en gekijf vast gijlieden, en om goddelooslijk met de vuist te slaan; vast niet gelijk heden, om uw stem te doen horen in de hoogte.

5
הֲ/כָ/זֶ֗ה יִֽהְיֶה֙ צ֣וֹם אֶבְחָרֵ֔/הוּ י֛וֹם עַנּ֥וֹת אָדָ֖ם נַפְשׁ֑/וֹ הֲ/לָ/כֹ֨ף כְּ/אַגְמֹ֜ן רֹאשׁ֗/וֹ וְ/שַׂ֤ק וָ/אֵ֨פֶר֙ יַצִּ֔יעַ הֲ/לָ/זֶה֙ תִּקְרָא צ֔וֹם וְ/י֥וֹם רָצ֖וֹן לַ/יהוָֽה
STATEN

Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heten, en een dag den HEERE aangenaam?

6
הֲ/ל֣וֹא זֶה֮ צ֣וֹם אֶבְחָרֵ/הוּ֒ פַּתֵּ֨חַ֙ חַרְצֻבּ֣וֹת רֶ֔שַׁע הַתֵּ֖ר אֲגֻדּ֣וֹת מוֹטָ֑ה וְ/שַׁלַּ֤ח רְצוּצִים֙ חָפְשִׁ֔ים וְ/כָל מוֹטָ֖ה תְּנַתֵּֽקוּ
STATEN

Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks, en dat gij vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt?

7
הֲ/ל֨וֹא פָרֹ֤ס לָֽ/רָעֵב֙ לַחְמֶ֔/ךָ וַ/עֲנִיִּ֥ים מְרוּדִ֖ים תָּ֣בִיא בָ֑יִת כִּֽי תִרְאֶ֤ה עָרֹם֙ וְ/כִסִּית֔/וֹ וּ/מִ/בְּשָׂרְ/ךָ֖ לֹ֥א תִתְעַלָּֽם
STATEN

Is het niet, dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?

8
אָ֣ז יִבָּקַ֤ע כַּ/שַּׁ֨חַר֙ אוֹרֶ֔/ךָ וַ/אֲרֻכָתְ/ךָ֖ מְהֵרָ֣ה תִצְמָ֑ח וְ/הָלַ֤ךְ לְ/פָנֶ֨י/ךָ֙ צִדְקֶ֔/ךָ כְּב֥וֹד יְהוָ֖ה יַאַסְפֶֽ/ךָ
STATEN

Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snellijk uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid des HEEREN zal uw achtertocht wezen.

9
אָ֤ז תִּקְרָא֙ וַ/יהוָ֣ה יַעֲנֶ֔ה תְּשַׁוַּ֖ע וְ/יֹאמַ֣ר הִנֵּ֑/נִי אִם תָּסִ֤יר מִ/תּֽוֹכְ/ךָ֙ מוֹטָ֔ה שְׁלַ֥ח אֶצְבַּ֖ע וְ/דַבֶּר אָֽוֶן
STATEN

Dan zult gij roepen, en de HEERE zal antwoorden; gij zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken des vingers, en het spreken der ongerechtigheid;

10
וְ/תָפֵ֤ק לָֽ/רָעֵב֙ נַפְשֶׁ֔/ךָ וְ/נֶ֥פֶשׁ נַעֲנָ֖ה תַּשְׂבִּ֑יעַ וְ/זָרַ֤ח בַּ/חֹ֨שֶׁךְ֙ אוֹרֶ֔/ךָ וַ/אֲפֵלָתְ/ךָ֖ כַּֽ/צָּהֳרָֽיִם
STATEN

En zo gij uw ziel opent voor den hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag.

11
וְ/נָחֲ/ךָ֣ יְהוָה֮ תָּמִיד֒ וְ/הִשְׂבִּ֤יעַ בְּ/צַחְצָחוֹת֙ נַפְשֶׁ֔/ךָ וְ/עַצְמֹתֶ֖י/ךָ יַחֲלִ֑יץ וְ/הָיִ֨יתָ֙ כְּ/גַ֣ן רָוֶ֔ה וּ/כְ/מוֹצָ֣א מַ֔יִם אֲשֶׁ֥ר לֹא יְכַזְּב֖וּ מֵימָֽי/ו
STATEN

En de HEERE zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.

12
וּ/בָנ֤וּ מִמְּ/ךָ֙ חָרְב֣וֹת עוֹלָ֔ם מוֹסְדֵ֥י דוֹר וָ/ד֖וֹר תְּקוֹמֵ֑ם וְ/קֹרָ֤א לְ/ךָ֙ גֹּדֵ֣ר פֶּ֔רֶץ מְשֹׁבֵ֥ב נְתִיב֖וֹת לָ/שָֽׁבֶת
STATEN

En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen.

13
אִם תָּשִׁ֤יב מִ/שַּׁבָּת֙ רַגְלֶ֔/ךָ עֲשׂ֥וֹת חֲפָצֶ֖י/ךָ בְּ/י֣וֹם קָדְשִׁ֑/י וְ/קָרָ֨אתָ לַ/שַּׁבָּ֜ת עֹ֗נֶג לִ/קְד֤וֹשׁ יְהוָה֙ מְכֻבָּ֔ד וְ/כִבַּדְתּ/וֹ֙ מֵ/עֲשׂ֣וֹת דְּרָכֶ֔י/ךָ מִ/מְּצ֥וֹא חֶפְצְ/ךָ֖ וְ/דַבֵּ֥ר דָּבָֽר
STATEN

Indien gij uw voet van den sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt een verlustiging, opdat de HEERE geheiligd worde, die te eren is; en indien gij dien eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;

14
אָ֗ז תִּתְעַנַּג֙ עַל יְהוָ֔ה וְ/הִרְכַּבְתִּ֖י/ךָ עַל בָּ֣מֳותֵי אָ֑רֶץ וְ/הַאֲכַלְתִּ֗י/ךָ נַחֲלַת֙ יַעֲקֹ֣ב אָבִ֔י/ךָ כִּ֛י פִּ֥י יְהוָ֖ה דִּבֵּֽר
STATEN

Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.