NEVIIM

Jesaja 31

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
ה֣וֹי הַ/יֹּרְדִ֤ים מִצְרַ֨יִם֙ לְ/עֶזְרָ֔ה עַל סוּסִ֖ים יִשָּׁעֵ֑נוּ וַ/יִּבְטְח֨וּ עַל רֶ֜כֶב כִּ֣י רָ֗ב וְ/עַ֤ל פָּֽרָשִׁים֙ כִּֽי עָצְמ֣וּ מְאֹ֔ד וְ/לֹ֤א שָׁעוּ֙ עַל קְד֣וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/אֶת יְהוָ֖ה לֹ֥א דָרָֽשׁוּ
STATEN

Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op den Heilige Israëls, en zoeken den HEERE niet.

2
וְ/גַם ה֤וּא חָכָם֙ וַ/יָּ֣בֵא רָ֔ע וְ/אֶת דְּבָרָ֖י/ו לֹ֣א הֵסִ֑יר וְ/קָם֙ עַל בֵּ֣ית מְרֵעִ֔ים וְ/עַל עֶזְרַ֖ת פֹּ֥עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.

3
וּ/מִצְרַ֤יִם אָדָם֙ וְֽ/לֹא אֵ֔ל וְ/סוּסֵי/הֶ֥ם בָּשָׂ֖ר וְ/לֹא ר֑וּחַ וַֽ/יהוָ֞ה יַטֶּ֣ה יָד֗/וֹ וְ/כָשַׁ֤ל עוֹזֵר֙ וְ/נָפַ֣ל עָזֻ֔ר וְ/יַחְדָּ֖ו כֻּלָּ֥/ם יִכְלָיֽוּ/ן
STATEN

Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en de HEERE zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen.

4
כִּ֣י כֹ֣ה אָֽמַר יְהוָ֣ה אֵלַ֡/י כַּ/אֲשֶׁ֣ר יֶהְגֶּה֩ הָ/אַרְיֵ֨ה וְ/הַ/כְּפִ֜יר עַל טַרְפּ֗/וֹ אֲשֶׁ֨ר יִקָּרֵ֤א עָלָי/ו֙ מְלֹ֣א רֹעִ֔ים מִ/קּוֹלָ/ם֙ לֹ֣א יֵחָ֔ת וּ/מֵֽ/הֲמוֹנָ֖/ם לֹ֣א יַֽעֲנֶ֑ה כֵּ֗ן יֵרֵד֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת לִ/צְבֹּ֥א עַל הַר צִיּ֖וֹן וְ/עַל גִּבְעָתָֽ/הּ
STATEN

Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer schoon een volle menigte der herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; alzo zal de HEERE der heirscharen nederdalen, om te strijden voor den berg Sions en voor haar heuvel.

5
כְּ/צִפֳּרִ֣ים עָפ֔וֹת כֵּ֗ן יָגֵ֛ן יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת עַל יְרֽוּשָׁלִָ֑ם גָּנ֥וֹן וְ/הִצִּ֖יל פָּסֹ֥חַ וְ/הִמְלִֽיט
STATEN

Gelijk vliegende vogelen, alzo zal de HEERE der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen.

6
שׁ֗וּבוּ לַ/אֲשֶׁ֛ר הֶעְמִ֥יקוּ סָרָ֖ה בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Bekeert u tot Hem, van Denwelken de kinderen Israëls diep afgeweken zijn.

7
כִּ֚י בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא יִמְאָס֗וּ/ן אִ֚ישׁ אֱלִילֵ֣י כַסְפּ֔/וֹ וֶ/אֱלִילֵ֖י זְהָב֑/וֹ אֲשֶׁ֨ר עָשׂ֥וּ לָ/כֶ֛ם יְדֵי/כֶ֖ם חֵֽטְא
STATEN

Want te dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke u uw handen tot zonde gemaakt hadden;

8
וְ/נָפַ֤ל אַשּׁוּר֙ בְּ/חֶ֣רֶב לֹא אִ֔ישׁ וְ/חֶ֥רֶב לֹֽא אָדָ֖ם תֹּֽאכֲלֶ֑/נּוּ וְ/נָ֥ס ל/וֹ֙ מִ/פְּנֵי חֶ֔רֶב וּ/בַחוּרָ֖י/ו לָ/מַ֥ס יִהְיֽוּ
STATEN

En Assur zal vallen door het zwaard, niet eens mans, en het zwaard, niet eens mensen, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden, en zijn jongelingen zullen versmelten.

9
וְ/סַלְע/וֹ֙ מִ/מָּג֣וֹר יַֽעֲב֔וֹר וְ/חַתּ֥וּ מִ/נֵּ֖ס שָׂרָ֑י/ו נְאֻם יְהוָ֗ה אֲשֶׁר א֥וּר ל/וֹ֙ בְּ/צִיּ֔וֹן וְ/תַנּ֥וּר ל֖/וֹ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

En hij zal van vreze doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de HEERE, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.