NEVIIM

Jesaja 42

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
הֵ֤ן עַבְדִּ/י֙ אֶתְמָךְ בּ֔/וֹ בְּחִירִ֖/י רָצְתָ֣ה נַפְשִׁ֑/י נָתַ֤תִּי רוּחִ/י֙ עָלָ֔י/ו מִשְׁפָּ֖ט לַ/גּוֹיִ֥ם יוֹצִֽיא
STATEN

Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.

2
לֹ֥א יִצְעַ֖ק וְ/לֹ֣א יִשָּׂ֑א וְ/לֹֽא יַשְׁמִ֥יעַ בַּ/ח֖וּץ קוֹלֽ/וֹ
STATEN

Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.

3
קָנֶ֤ה רָצוּץ֙ לֹ֣א יִשְׁבּ֔וֹר וּ/פִשְׁתָּ֥ה כֵהָ֖ה לֹ֣א יְכַבֶּ֑/נָּה לֶ/אֱמֶ֖ת יוֹצִ֥יא מִשְׁפָּֽט
STATEN

Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.

4
לֹ֤א יִכְהֶה֙ וְ/לֹ֣א יָר֔וּץ עַד יָשִׂ֥ים בָּ/אָ֖רֶץ מִשְׁפָּ֑ט וּ/לְ/תוֹרָת֖/וֹ אִיִּ֥ים יְיַחֵֽילוּ
STATEN

Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.

5
כֹּֽה אָמַ֞ר הָ/אֵ֣ל יְהוָ֗ה בּוֹרֵ֤א הַ/שָּׁמַ֨יִם֙ וְ/נ֣וֹטֵי/הֶ֔ם רֹקַ֥ע הָ/אָ֖רֶץ וְ/צֶאֱצָאֶ֑י/הָ נֹתֵ֤ן נְשָׁמָה֙ לָ/עָ֣ם עָלֶ֔י/הָ וְ/ר֖וּחַ לַ/הֹלְכִ֥ים בָּֽ/הּ
STATEN

Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen:

6
אֲנִ֧י יְהוָ֛ה קְרָאתִ֥י/ךָֽ בְ/צֶ֖דֶק וְ/אַחְזֵ֣ק בְּ/יָדֶ֑/ךָ וְ/אֶצָּרְ/ךָ֗ וְ/אֶתֶּנְ/ךָ֛ לִ/בְרִ֥ית עָ֖ם לְ/א֥וֹר גּוֹיִֽם
STATEN

Ik, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U bij uw hand grijpen; en Ik zal U behoeden, en Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen.

7
לִ/פְקֹ֖חַ עֵינַ֣יִם עִוְר֑וֹת לְ/הוֹצִ֤יא מִ/מַּסְגֵּר֙ אַסִּ֔יר מִ/בֵּ֥ית כֶּ֖לֶא יֹ֥שְׁבֵי חֹֽשֶׁךְ
STATEN

Om te openen de blinde ogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.

8
אֲנִ֥י יְהוָ֖ה ה֣וּא שְׁמִ֑/י וּ/כְבוֹדִ/י֙ לְ/אַחֵ֣ר לֹֽא אֶתֵּ֔ן וּ/תְהִלָּתִ֖/י לַ/פְּסִילִֽים
STATEN

Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.

9
הָ/רִֽאשֹׁנ֖וֹת הִנֵּה בָ֑אוּ וַֽ/חֲדָשׁוֹת֙ אֲנִ֣י מַגִּ֔יד בְּ/טֶ֥רֶם תִּצְמַ֖חְנָה אַשְׁמִ֥יע אֶתְ/כֶֽם
STATEN

Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.

10
שִׁ֤ירוּ לַֽ/יהוָה֙ שִׁ֣יר חָדָ֔שׁ תְּהִלָּת֖/וֹ מִ/קְצֵ֣ה הָ/אָ֑רֶץ יוֹרְדֵ֤י הַ/יָּם֙ וּ/מְלֹא֔/וֹ אִיִּ֖ים וְ/יֹשְׁבֵי/הֶֽם
STATEN

Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.

11
יִשְׂא֤וּ מִדְבָּר֙ וְ/עָרָ֔י/ו חֲצֵרִ֖ים תֵּשֵׁ֣ב קֵדָ֑ר יָרֹ֨נּוּ֙ יֹ֣שְׁבֵי סֶ֔לַע מֵ/רֹ֥אשׁ הָרִ֖ים יִצְוָֽחוּ
STATEN

Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.

12
יָשִׂ֥ימוּ לַֽ/יהוָ֖ה כָּב֑וֹד וּ/תְהִלָּת֖/וֹ בָּ/אִיִּ֥ים יַגִּֽידוּ
STATEN

Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.

13
יְהוָה֙ כַּ/גִּבּ֣וֹר יֵצֵ֔א כְּ/אִ֥ישׁ מִלְחָמ֖וֹת יָעִ֣יר קִנְאָ֑ה יָרִ֨יעַ֙ אַף יַצְרִ֔יחַ עַל אֹיְבָ֖י/ו יִתְגַּבָּֽר
STATEN

De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.

14
הֶחֱשֵׁ֨יתִי֙ מֵֽ/עוֹלָ֔ם אַחֲרִ֖ישׁ אֶתְאַפָּ֑ק כַּ/יּוֹלֵדָ֣ה אֶפְעֶ֔ה אֶשֹּׁ֥ם וְ/אֶשְׁאַ֖ף יָֽחַד
STATEN

Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.

15
אַחֲרִ֤יב הָרִים֙ וּ/גְבָע֔וֹת וְ/כָל עֶשְׂבָּ֖/ם אוֹבִ֑ישׁ וְ/שַׂמְתִּ֤י נְהָרוֹת֙ לָֽ/אִיִּ֔ים וַ/אֲגַמִּ֖ים אוֹבִֽישׁ
STATEN

Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.

16
וְ/הוֹלַכְתִּ֣י עִוְרִ֗ים בְּ/דֶ֨רֶךְ֙ לֹ֣א יָדָ֔עוּ בִּ/נְתִיב֥וֹת לֹֽא יָדְע֖וּ אַדְרִיכֵ֑/ם אָשִׂים֩ מַחְשָׁ֨ךְ לִ/פְנֵי/הֶ֜ם לָ/א֗וֹר וּ/מַֽעֲקַשִּׁים֙ לְ/מִישׁ֔וֹר אֵ֚לֶּה הַ/דְּבָרִ֔ים עֲשִׂיתִ֖/ם וְ/לֹ֥א עֲזַבְתִּֽי/ם
STATEN

En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.

17
נָסֹ֤גוּ אָחוֹר֙ יֵבֹ֣שׁוּ בֹ֔שֶׁת הַ/בֹּטְחִ֖ים בַּ/פָּ֑סֶל הָ/אֹמְרִ֥ים לְ/מַסֵּכָ֖ה אַתֶּ֥ם אֱלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden; die zullen achterwaarts keren, en met schaamte beschaamd worden.

18
הַ/חֵרְשִׁ֖ים שְׁמָ֑עוּ וְ/הַ/עִוְרִ֖ים הַבִּ֥יטוּ לִ/רְאֽוֹת
STATEN

Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.

19
מִ֤י עִוֵּר֙ כִּ֣י אִם עַבְדִּ֔/י וְ/חֵרֵ֖שׁ כְּ/מַלְאָכִ֣/י אֶשְׁלָ֑ח מִ֤י עִוֵּר֙ כִּ/מְשֻׁלָּ֔ם וְ/עִוֵּ֖ר כְּ/עֶ֥בֶד יְהוָֽה
STATEN

Wie is er blind dan Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?

20
ראית רַבּ֖וֹת וְ/לֹ֣א תִשְׁמֹ֑ר פָּק֥וֹחַ אָזְנַ֖יִם וְ/לֹ֥א יִשְׁמָֽע רָא֥וֹת
STATEN

Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; ofschoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.

21
יְהוָ֥ה חָפֵ֖ץ לְמַ֣עַן צִדְק֑/וֹ יַגְדִּ֥יל תּוֹרָ֖ה וְ/יַאְדִּֽיר
STATEN

De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.

22
וְ/הוּא֮ עַם בָּז֣וּז וְ/שָׁסוּי֒ הָפֵ֤חַ בַּֽ/חוּרִים֙ כֻּלָּ֔/ם וּ/בְ/בָתֵּ֥י כְלָאִ֖ים הָחְבָּ֑אוּ הָי֤וּ לָ/בַז֙ וְ/אֵ֣ין מַצִּ֔יל מְשִׁסָּ֖ה וְ/אֵין אֹמֵ֥ר הָשַֽׁב
STATEN

Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder.

23
מִ֥י בָ/כֶ֖ם יַאֲזִ֣ין זֹ֑את יַקְשִׁ֥ב וְ/יִשְׁמַ֖ע לְ/אָחֽוֹר
STATEN

Wie onder ulieden neemt zulks ter ore? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?

24
מִֽי נָתַ֨ן ל/משוסה יַעֲקֹ֛ב וְ/יִשְׂרָאֵ֥ל לְ/בֹזְזִ֖ים הֲ/ל֣וֹא יְהוָ֑ה ז֚וּ חָטָ֣אנוּ ל֔/וֹ וְ/לֹֽא אָב֤וּ בִ/דְרָכָי/ו֙ הָל֔וֹךְ וְ/לֹ֥א שָׁמְע֖וּ בְּ/תוֹרָתֽ/וֹ לִ/מְשִׁסָּ֧ה
STATEN

Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.

25
וַ/יִּשְׁפֹּ֤ךְ עָלָי/ו֙ חֵמָ֣ה אַפּ֔/וֹ וֶ/עֱז֖וּז מִלְחָמָ֑ה וַ/תְּלַהֲטֵ֤/הוּ מִ/סָּבִיב֙ וְ/לֹ֣א יָדָ֔ע וַ/תִּבְעַר בּ֖/וֹ וְ/לֹא יָשִׂ֥ים עַל לֵֽב
STATEN

Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.