Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 43

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/עַתָּ֞ה כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ בֹּרַאֲ/ךָ֣ יַעֲקֹ֔ב וְ/יֹצֶרְ/ךָ֖ יִשְׂרָאֵ֑ל אַל תִּירָא֙ כִּ֣י גְאַלְתִּ֔י/ךָ קָרָ֥אתִי בְ/שִׁמְ/ךָ֖ לִ/י אָֽתָּה־־־׃
STATEN

Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.

2
כִּֽי תַעֲבֹ֤ר בַּ/מַּ֨יִם֙ אִתְּ/ךָ אָ֔נִי וּ/בַ/נְּהָר֖וֹת לֹ֣א יִשְׁטְפ֑וּ/ךָ כִּֽי תֵלֵ֤ךְ בְּמוֹ אֵשׁ֙ לֹ֣א תִכָּוֶ֔ה וְ/לֶהָבָ֖ה לֹ֥א תִבְעַר בָּֽ/ךְ־־־־־׃
STATEN

Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.

3
כִּ֗י אֲנִי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל מוֹשִׁיעֶ֑/ךָ נָתַ֤תִּי כָפְרְ/ךָ֙ מִצְרַ֔יִם כּ֥וּשׁ וּ/סְבָ֖א תַּחְתֶּֽי/ךָ׃
STATEN

Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.

4
מֵ/אֲשֶׁ֨ר יָקַ֧רְתָּ בְ/עֵינַ֛/י נִכְבַּ֖דְתָּ וַ/אֲנִ֣י אֲהַבְתִּ֑י/ךָ וְ/אֶתֵּ֤ן אָדָם֙ תַּחְתֶּ֔י/ךָ וּ/לְאֻמִּ֖ים תַּ֥חַת נַפְשֶֽׁ/ךָ׃
STATEN

Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.

5
אַל תִּירָ֖א כִּ֣י אִתְּ/ךָ אָ֑נִי מִ/מִּזְרָח֙ אָבִ֣יא זַרְעֶ֔/ךָ וּ/מִֽ/מַּעֲרָ֖ב אֲקַבְּצֶֽ/ךָּ־־׃
STATEN

Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang.

6
אֹמַ֤ר לַ/צָּפוֹן֙ תֵּ֔נִי וּ/לְ/תֵימָ֖ן אַל תִּכְלָ֑אִי הָבִ֤יאִי בָנַ/י֙ מֵ/רָח֔וֹק וּ/בְנוֹתַ֖/י מִ/קְצֵ֥ה הָ/אָֽרֶץ־׃
STATEN

Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;

7
כֹּ֚ל הַ/נִּקְרָ֣א בִ/שְׁמִ֔/י וְ/לִ/כְבוֹדִ֖/י בְּרָאתִ֑י/ו יְצַרְתִּ֖י/ו אַף עֲשִׂיתִֽי/ו־׃
STATEN

Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.

8
הוֹצִ֥יא עַם עִוֵּ֖ר וְ/עֵינַ֣יִם יֵ֑שׁ וְ/חֵרְשִׁ֖ים וְ/אָזְנַ֥יִם לָֽ/מוֹ־׃
STATEN

Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben.

9
כָּֽל הַ/גּוֹיִ֞ם נִקְבְּצ֣וּ יַחְדָּ֗ו וְ/יֵאָֽסְפוּ֙ לְאֻמִּ֔ים מִ֤י בָ/הֶם֙ יַגִּ֣יד זֹ֔את וְ/רִֽאשֹׁנ֖וֹת יַשְׁמִיעֻ֑/נוּ יִתְּנ֤וּ עֵֽדֵי/הֶם֙ וְ/יִצְדָּ֔קוּ וְ/יִשְׁמְע֖וּ וְ/יֹאמְר֥וּ אֱמֶֽת־׃
STATEN

Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.

10
אַתֶּ֤ם עֵדַ/י֙ נְאֻם יְהוָ֔ה וְ/עַבְדִּ֖/י אֲשֶׁ֣ר בָּחָ֑רְתִּי לְמַ֣עַן תֵּ֠דְעוּ וְ/תַאֲמִ֨ינוּ לִ֤/י וְ/תָבִ֨ינוּ֙ כִּֽי אֲנִ֣י ה֔וּא לְ/פָנַ/י֙ לֹא נ֣וֹצַר אֵ֔ל וְ/אַחֲרַ֖/י לֹ֥א יִהְיֶֽה־־־׃ס
STATEN

Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat vóór Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.

11
אָנֹכִ֥י אָנֹכִ֖י יְהוָ֑ה וְ/אֵ֥ין מִ/בַּלְעָדַ֖/י מוֹשִֽׁיעַ׃
STATEN

Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.

12
אָנֹכִ֞י הִגַּ֤דְתִּי וְ/הוֹשַׁ֨עְתִּי֙ וְ/הִשְׁמַ֔עְתִּי וְ/אֵ֥ין בָּ/כֶ֖ם זָ֑ר וְ/אַתֶּ֥ם עֵדַ֛/י נְאֻם יְהוָ֖ה וַֽ/אֲנִי אֵֽל־־׃
STATEN

Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 43

Artikelen waarin De Naamdragers schrijvers naar deze passage verwijzen.