Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 49

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
שִׁמְע֤וּ אִיִּים֙ אֵלַ֔/י וְ/הַקְשִׁ֥יבוּ לְאֻמִּ֖ים מֵ/רָח֑וֹק יְהוָה֙ מִ/בֶּ֣טֶן קְרָאָ֔/נִי מִ/מְּעֵ֥י אִמִּ֖/י הִזְכִּ֥יר שְׁמִֽ/י׃
STATEN

Hoort naar Mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen van den buik af, van Mijner moeders ingewand af heeft Hij Mijn Naam gemeld.

2
וַ/יָּ֤שֶׂם פִּ/י֙ כְּ/חֶ֣רֶב חַדָּ֔ה בְּ/צֵ֥ל יָד֖/וֹ הֶחְבִּיאָ֑/נִי וַ/יְשִׂימֵ֨/נִי֙ לְ/חֵ֣ץ בָּר֔וּר בְּ/אַשְׁפָּת֖/וֹ הִסְתִּירָֽ/נִי׃
STATEN

En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.

3
וַ/יֹּ֥אמֶר לִ֖/י עַבְדִּ/י אָ֑תָּה יִשְׂרָאֵ֕ל אֲשֶׁר בְּ/ךָ֖ אֶתְפָּאָֽר־־׃
STATEN

En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israël, door Welken Ik verheerlijkt zal worden.

4
וַ/אֲנִ֤י אָמַ֨רְתִּי֙ לְ/רִ֣יק יָגַ֔עְתִּי לְ/תֹ֥הוּ וְ/הֶ֖בֶל כֹּחִ֣/י כִלֵּ֑יתִי אָכֵן֙ מִשְׁפָּטִ֣/י אֶת יְהוָ֔ה וּ/פְעֻלָּתִ֖/י אֶת אֱלֹהָֽ/י־־׃
STATEN

Doch Ik zeide: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdellijk toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij den HEERE, en Mijn werkloon is bij Mijn God.

5
וְ/עַתָּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה יֹצְרִ֤/י מִ/בֶּ֨טֶן֙ לְ/עֶ֣בֶד ל֔/וֹ לְ/שׁוֹבֵ֤ב יַֽעֲקֹב֙ אֵלָ֔י/ו וְ/יִשְׂרָאֵ֖ל לא יֵאָסֵ֑ף וְ/אֶכָּבֵד֙ בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֔ה וֵ/אלֹהַ֖/י הָיָ֥ה עֻזִּֽ/י׀׃ ל֣/וֹ
STATEN

En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.

6
וַ/יֹּ֗אמֶר נָקֵ֨ל מִֽ/הְיוֹתְ/ךָ֥ לִ/י֙ עֶ֔בֶד לְ/הָקִים֙ אֶת שִׁבְטֵ֣י יַעֲקֹ֔ב ו/נצירי יִשְׂרָאֵ֖ל לְ/הָשִׁ֑יב וּ/נְתַתִּ֨י/ךָ֙ לְ/א֣וֹר גּוֹיִ֔ם לִֽ/הְי֥וֹת יְשׁוּעָתִ֖/י עַד קְצֵ֥ה הָ/אָֽרֶץ־־׃ס וּ/נְצוּרֵ֥י
STATEN

Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

7
כֹּ֣ה אָֽמַר יְהוָה֩ גֹּאֵ֨ל יִשְׂרָאֵ֜ל קְדוֹשׁ֗/וֹ לִ/בְזֹה נֶ֜פֶשׁ לִ/מְתָ֤עֵֽב גּוֹי֙ לְ/עֶ֣בֶד מֹשְׁלִ֔ים מְלָכִים֙ יִרְא֣וּ וָ/קָ֔מוּ שָׂרִ֖ים וְ/יִֽשְׁתַּחֲוּ֑וּ לְמַ֤עַן יְהוָה֙ אֲשֶׁ֣ר נֶאֱמָ֔ן קְדֹ֥שׁ יִשְׂרָאֵ֖ל וַ/יִּבְחָרֶֽ/ךָּ־־׃
STATEN

Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, tot den Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om den Heilige Israëls, Die U verkoren heeft.

8
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה בְּ/עֵ֤ת רָצוֹן֙ עֲנִיתִ֔י/ךָ וּ/בְ/י֥וֹם יְשׁוּעָ֖ה עֲזַרְתִּ֑י/ךָ וְ/אֶצָּרְ/ךָ֗ וְ/אֶתֶּנְ/ךָ֙ לִ/בְרִ֣ית עָ֔ם לְ/הָקִ֣ים אֶ֔רֶץ לְ/הַנְחִ֖יל נְחָל֥וֹת שֹׁמֵמֽוֹת׀׃
STATEN

Alzo zegt de HEERE: In den tijd des welbehagens heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;

9
לֵ/אמֹ֤ר לַֽ/אֲסוּרִים֙ צֵ֔אוּ לַ/אֲשֶׁ֥ר בַּ/חֹ֖שֶׁךְ הִגָּל֑וּ עַל דְּרָכִ֣ים יִרְע֔וּ וּ/בְ/כָל שְׁפָיִ֖ים מַרְעִיתָֽ/ם־־׃
STATEN

Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.

10
לֹ֤א יִרְעָ֨בוּ֙ וְ/לֹ֣א יִצְמָ֔אוּ וְ/לֹא יַכֵּ֥/ם שָׁרָ֖ב וָ/שָׁ֑מֶשׁ כִּי מְרַחֲמָ֣/ם יְנַהֲגֵ֔/ם וְ/עַל מַבּ֥וּעֵי מַ֖יִם יְנַהֲלֵֽ/ם־־־׃
STATEN

Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden.

11
וְ/שַׂמְתִּ֥י כָל הָרַ֖/י לַ/דָּ֑רֶךְ וּ/מְסִלֹּתַ֖/י יְרֻמֽוּ/ן־׃
STATEN

En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.

12
הִנֵּה אֵ֕לֶּה מֵ/רָח֖וֹק יָבֹ֑אוּ וְ/הִֽנֵּה אֵ֨לֶּה֙ מִ/צָּפ֣וֹן וּ/מִ/יָּ֔ם וְ/אֵ֖לֶּה מֵ/אֶ֥רֶץ סִינִֽים־־׃
STATEN

Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en genen uit het land Sinim.

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 49

Nog geen artikelen die specifiek naar Jesaja 49 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →