NEVIIM

Jesaja 16

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
שִׁלְחוּ כַ֥ר מֹשֵֽׁל אֶ֖רֶץ מִ/סֶּ֣לַע מִדְבָּ֑רָ/ה אֶל הַ֖ר בַּת צִיּֽוֹן
STATEN

Zendt de lammeren van den heerser des lands van Sela af, naar de woestijn henen, tot den berg der dochter van Sion.

2
וְ/הָיָ֥ה כְ/עוֹף נוֹדֵ֖ד קֵ֣ן מְשֻׁלָּ֑ח תִּֽהְיֶ֨ינָה֙ בְּנ֣וֹת מוֹאָ֔ב מַעְבָּרֹ֖ת לְ/אַרְנֽוֹן
STATEN

Anderszins zal het geschieden, dat de dochteren van Moab aan de veren van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.

3
הביאו עֵצָה֙ עֲשׂ֣וּ פְלִילָ֔ה שִׁ֧יתִי כַ/לַּ֛יִל צִלֵּ֖/ךְ בְּ/ת֣וֹךְ צָהֳרָ֑יִם סַתְּרִי֙ נִדָּחִ֔ים נֹדֵ֖ד אַל תְּגַלִּֽי הָבִ֤יאִי
STATEN

Brengt een raad aan, houd gericht, maak uw schaduw op het midden van den middag, gelijk den nacht; verberg de verdrevenen, en meld den omzwervende niet.

4
יָג֤וּרוּ בָ/ךְ֙ נִדָּחַ֔/י מוֹאָ֛ב הֱוִי סֵ֥תֶר לָ֖/מוֹ מִ/פְּנֵ֣י שׁוֹדֵ֑ד כִּֽי אָפֵ֤ס הַ/מֵּץ֙ כָּ֣לָה שֹׁ֔ד תַּ֥מּוּ רֹמֵ֖ס מִן הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees gij hun een schuilplaats voor het aangezicht der verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.

5
וְ/הוּכַ֤ן בַּ/חֶ֨סֶד֙ כִּסֵּ֔א וְ/יָשַׁ֥ב עָלָ֛י/ו בֶּ/אֱמֶ֖ת בְּ/אֹ֣הֶל דָּוִ֑ד שֹׁפֵ֛ט וְ/דֹרֵ֥שׁ מִשְׁפָּ֖ט וּ/מְהִ֥ר צֶֽדֶק
STATEN

Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en op denzelven zal bestendig Een zitten in de tent van David, Een, Die oordeelt en het recht zoekt, en vaardig is ter gerechtigheid.

6
שָׁמַ֥עְנוּ גְאוֹן מוֹאָ֖ב גֵּ֣א מְאֹ֑ד גַּאֲוָת֧/וֹ וּ/גְאוֹנ֛/וֹ וְ/עֶבְרָת֖/וֹ לֹא כֵ֥ן בַּדָּֽי/ו
STATEN

Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn verbolgenheid, zijn alzo zijn grendelen niet.

7
לָ/כֵ֗ן יְיֵלִ֥יל מוֹאָ֛ב לְ/מוֹאָ֖ב כֻּלֹּ֣/ה יְיֵלִ֑יל לַ/אֲשִׁישֵׁ֧י קִיר חֲרֶ֛שֶׂת תֶּהְגּ֖וּ אַךְ נְכָאִֽים
STATEN

Daarom zal Moab over Moab huilen, altemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Haréseth zult gijlieden zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.

8
כִּ֣י שַׁדְמוֹת֩ חֶשְׁבּ֨וֹן אֻמְלָ֜ל גֶּ֣פֶן שִׂבְמָ֗ה בַּעֲלֵ֤י גוֹיִם֙ הָלְמ֣וּ שְׂרוּקֶּ֔י/הָ עַד יַעְזֵ֥ר נָגָ֖עוּ תָּ֣עוּ מִדְבָּ֑ר שְׁלֻ֣חוֹתֶ֔י/הָ נִטְּשׁ֖וּ עָ֥בְרוּ יָֽם
STATEN

Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren der heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jáëzer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee.

9
עַל כֵּ֡ן אֶבְכֶּ֞ה בִּ/בְכִ֤י יַעְזֵר֙ גֶּ֣פֶן שִׂבְמָ֔ה אֲרַיָּ֨וֶ/ךְ֙ דִּמְעָתִ֔/י חֶשְׁבּ֖וֹן וְ/אֶלְעָלֵ֑ה כִּ֧י עַל קֵיצֵ֛/ךְ וְ/עַל קְצִירֵ֖/ךְ הֵידָ֥ד נָפָֽל
STATEN

Daarom beween ik, in de wening over Jáëzer, den wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleále! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen;

10
וְ/נֶאֱסַ֨ף שִׂמְחָ֤ה וָ/גִיל֙ מִן הַ/כַּרְמֶ֔ל וּ/בַ/כְּרָמִ֥ים לֹֽא יְרֻנָּ֖ן לֹ֣א יְרֹעָ֑ע יַ֗יִן בַּ/יְקָבִ֛ים לֹֽא יִדְרֹ֥ךְ הַ/דֹּרֵ֖ךְ הֵידָ֥ד הִשְׁבַּֽתִּי
STATEN

Alzo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, Ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.

11
עַל כֵּן֙ מֵעַ֣/י לְ/מוֹאָ֔ב כַּ/כִּנּ֖וֹר יֶֽהֱמ֑וּ וְ/קִרְבִּ֖/י לְ/קִ֥יר חָֽרֶשׂ
STATEN

Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-héres.

12
וְ/הָיָ֧ה כִֽי נִרְאָ֛ה כִּֽי נִלְאָ֥ה מוֹאָ֖ב עַל הַ/בָּמָ֑ה וּ/בָ֧א אֶל מִקְדָּשׁ֛/וֹ לְ/הִתְפַּלֵּ֖ל וְ/לֹ֥א יוּכָֽל
STATEN

En het zal geschieden, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niet vermogen.

13
זֶ֣ה הַ/דָּבָ֗ר אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֧ר יְהוָ֛ה אֶל מוֹאָ֖ב מֵ/אָֽז
STATEN

Dit is het woord, dat de HEERE tegen Moab gesproken heeft, van toen af.

14
וְ/עַתָּ֗ה דִּבֶּ֣ר יְהוָה֮ לֵ/אמֹר֒ בְּ/שָׁלֹ֤שׁ שָׁנִים֙ כִּ/שְׁנֵ֣י שָׂכִ֔יר וְ/נִקְלָה֙ כְּב֣וֹד מוֹאָ֔ב בְּ/כֹ֖ל הֶ/הָמ֣וֹן הָ/רָ֑ב וּ/שְׁאָ֥ר מְעַ֛ט מִזְעָ֖ר ל֥וֹא כַבִּֽיר
STATEN

Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.