NEVIIM

Jesaja 25

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
יְהוָ֤ה אֱלֹהַ/י֙ אַתָּ֔ה אֲרֽוֹמִמְ/ךָ֙ אוֹדֶ֣ה שִׁמְ/ךָ֔ כִּ֥י עָשִׂ֖יתָ פֶּ֑לֶא עֵצ֥וֹת מֵֽ/רָח֖וֹק אֱמ֥וּנָה אֹֽמֶן
STATEN

HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.

2
כִּ֣י שַׂ֤מְתָּ מֵ/עִיר֙ לַ/גָּ֔ל קִרְיָ֥ה בְצוּרָ֖ה לְ/מַפֵּלָ֑ה אַרְמ֤וֹן זָרִים֙ מֵ/עִ֔יר לְ/עוֹלָ֖ם לֹ֥א יִבָּנֶֽה
STATEN

Want Gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de vaste stad tot een vervallen hoop; het paleis der vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.

3
עַל כֵּ֖ן יְכַבְּד֣וּ/ךָ עַם עָ֑ז קִרְיַ֛ת גּוֹיִ֥ם עָרִיצִ֖ים יִירָאֽוּ/ךָ
STATEN

Daarom zal U een machtig volk eren, de stad der tirannische volken zal U vrezen.

4
כִּֽי הָיִ֨יתָ מָע֥וֹז לַ/דָּ֛ל מָע֥וֹז לָ/אֶבְי֖וֹן בַּ/צַּר ל֑/וֹ מַחְסֶ֤ה מִ/זֶּ֨רֶם֙ צֵ֣ל מֵ/חֹ֔רֶב כִּ֛י ר֥וּחַ עָרִיצִ֖ים כְּ/זֶ֥רֶם קִֽיר
STATEN

Want Gij zijt den arme een Sterkte geweest, een Sterkte den nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen den vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen der tirannen is als een vloed tegen een wand.

5
כְּ/חֹ֣רֶב בְּ/צָי֔וֹן שְׁא֥וֹן זָרִ֖ים תַּכְנִ֑יעַ חֹ֚רֶב בְּ/צֵ֣ל עָ֔ב זְמִ֥יר עָֽרִיצִ֖ים יַעֲנֶֽה
STATEN

Gelijk de hitte in een dorre plaats, zult Gij de onstuimigheid der vreemdelingen nederdrukken; gelijk de hitte door de schaduw ener dikke wolk, zal het gezang der tirannen vernederd worden.

6
וְ/עָשָׂה֩ יְהוָ֨ה צְבָא֜וֹת לְ/כָל הָֽ/עַמִּים֙ בָּ/הָ֣ר הַ/זֶּ֔ה מִשְׁתֵּ֥ה שְׁמָנִ֖ים מִשְׁתֵּ֣ה שְׁמָרִ֑ים שְׁמָנִים֙ מְמֻ֣חָיִ֔ם שְׁמָרִ֖ים מְזֻקָּקִֽים
STATEN

En de HEERE der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.

7
וּ/בִלַּע֙ בָּ/הָ֣ר הַ/זֶּ֔ה פְּנֵֽי הַ/לּ֥וֹט הַ/לּ֖וֹט עַל כָּל הָֽ/עַמִּ֑ים וְ/הַ/מַּסֵּכָ֥ה הַ/נְּסוּכָ֖ה עַל כָּל הַ/גּוֹיִֽם
STATEN

En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn.

8
בִּלַּ֤ע הַ/מָּ֨וֶת֙ לָ/נֶ֔צַח וּ/מָחָ֨ה אֲדֹנָ֧/י יְהוִ֛ה דִּמְעָ֖ה מֵ/עַ֣ל כָּל פָּנִ֑ים וְ/חֶרְפַּ֣ת עַמּ֗/וֹ יָסִיר֙ מֵ/עַ֣ל כָּל הָ/אָ֔רֶץ כִּ֥י יְהוָ֖ה דִּבֵּֽר
STATEN

Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.

9
וְ/אָמַר֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא הִנֵּ֨ה אֱלֹהֵ֥י/נוּ זֶ֛ה קִוִּ֥ינוּ ל֖/וֹ וְ/יֽוֹשִׁיעֵ֑/נוּ זֶ֤ה יְהוָה֙ קִוִּ֣ינוּ ל֔/וֹ נָגִ֥ילָה וְ/נִשְׂמְחָ֖ה בִּ/ישׁוּעָתֽ/וֹ
STATEN

En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.

10
כִּֽי תָנ֥וּחַ יַד יְהוָ֖ה בָּ/הָ֣ר הַ/זֶּ֑ה וְ/נָ֤דוֹשׁ מוֹאָב֙ תַּחְתָּ֔י/ו כְּ/הִדּ֥וּשׁ מַתְבֵּ֖ן ב/מי מַדְמֵנָֽה בְּמ֥וֹ
STATEN

Want de hand des HEEREN zal op dezen berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest.

11
וּ/פֵרַ֤שׂ יָדָי/ו֙ בְּ/קִרְבּ֔/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֛ר יְפָרֵ֥שׂ הַ/שֹּׂחֶ֖ה לִ/שְׂח֑וֹת וְ/הִשְׁפִּיל֙ גַּֽאֲוָת֔/וֹ עִ֖ם אָרְבּ֥וֹת יָדָֽי/ו
STATEN

En Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en Hij zal hun hoogmoed vernederen met de lagen hunner handen.

12
וּ/מִבְצַ֞ר מִשְׂגַּ֣ב חוֹמֹתֶ֗י/ךָ הֵשַׁ֥ח הִשְׁפִּ֛יל הִגִּ֥יעַ לָ/אָ֖רֶץ עַד עָפָֽר
STATEN

En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.