NEVIIM

Jesaja 35

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
יְשֻׂשׂ֥וּ/ם מִדְבָּ֖ר וְ/צִיָּ֑ה וְ/תָגֵ֧ל עֲרָבָ֛ה וְ/תִפְרַ֖ח כַּ/חֲבַצָּֽלֶת
STATEN

De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.

2
פָּרֹ֨חַ תִּפְרַ֜ח וְ/תָגֵ֗ל אַ֚ף גִּילַ֣ת וְ/רַנֵּ֔ן כְּב֤וֹד הַ/לְּבָנוֹן֙ נִתַּן לָ֔/הּ הֲדַ֥ר הַ/כַּרְמֶ֖ל וְ/הַ/שָּׁר֑וֹן הֵ֛מָּה יִרְא֥וּ כְבוֹד יְהוָ֖ה הֲדַ֥ר אֱלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad onzes Gods.

3
חַזְּק֖וּ יָדַ֣יִם רָפ֑וֹת וּ/בִרְכַּ֥יִם כֹּשְׁל֖וֹת אַמֵּֽצוּ
STATEN

Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast.

4
אִמְרוּ֙ לְ/נִמְהֲרֵי לֵ֔ב חִזְק֖וּ אַל תִּירָ֑אוּ הִנֵּ֤ה אֱלֹֽהֵי/כֶם֙ נָקָ֣ם יָב֔וֹא גְּמ֣וּל אֱלֹהִ֔ים ה֥וּא יָב֖וֹא וְ/יֹשַׁעֲ/כֶֽם
STATEN

Zegt den onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en ulieden verlossen.

5
אָ֥ז תִּפָּקַ֖חְנָה עֵינֵ֣י עִוְרִ֑ים וְ/אָזְנֵ֥י חֵרְשִׁ֖ים תִּפָּתַֽחְנָה
STATEN

Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden.

6
אָ֣ז יְדַלֵּ֤ג כָּֽ/אַיָּל֙ פִּסֵּ֔חַ וְ/תָרֹ֖ן לְשׁ֣וֹן אִלֵּ֑ם כִּֽי נִבְקְע֤וּ בַ/מִּדְבָּר֙ מַ֔יִם וּ/נְחָלִ֖ים בָּ/עֲרָבָֽה
STATEN

Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.

7
וְ/הָיָ֤ה הַ/שָּׁרָב֙ לַ/אֲגַ֔ם וְ/צִמָּא֖וֹן לְ/מַבּ֣וּעֵי מָ֑יִם בִּ/נְוֵ֤ה תַנִּים֙ רִבְצָ֔/הּ חָצִ֖יר לְ/קָנֶ֥ה וָ/גֹֽמֶא
STATEN

En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woning der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.

8
וְ/הָיָה שָׁ֞ם מַסְל֣וּל וָ/דֶ֗רֶךְ וְ/דֶ֤רֶךְ הַ/קֹּ֨דֶשׁ֙ יִקָּ֣רֵא לָ֔/הּ לֹֽא יַעַבְרֶ֥/נּוּ טָמֵ֖א וְ/הוּא לָ֑/מוֹ הֹלֵ֥ךְ דֶּ֛רֶךְ וֶ/אֱוִילִ֖ים לֹ֥א יִתְעֽוּ
STATEN

En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.

9
לֹא יִהְיֶ֨ה שָׁ֜ם אַרְיֵ֗ה וּ/פְרִ֤יץ חַיּוֹת֙ בַּֽל יַעֲלֶ֔/נָּה לֹ֥א תִמָּצֵ֖א שָׁ֑ם וְ/הָלְכ֖וּ גְּאוּלִֽים
STATEN

Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen.

10
וּ/פְדוּיֵ֨י יְהוָ֜ה יְשֻׁב֗וּ/ן וּ/בָ֤אוּ צִיּוֹן֙ בְּ/רִנָּ֔ה וְ/שִׂמְחַ֥ת עוֹלָ֖ם עַל רֹאשָׁ֑/ם שָׂשׂ֤וֹן וְ/שִׂמְחָה֙ יַשִּׂ֔יגוּ וְ/נָ֖סוּ יָג֥וֹן וַ/אֲנָחָֽה
STATEN

En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.