Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 37

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י כִּ/שְׁמֹ֨עַ֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ חִזְקִיָּ֔הוּ וַ/יִּקְרַ֖ע אֶת בְּגָדָ֑י/ו וַ/יִּתְכַּ֣ס בַּ/שָּׂ֔ק וַ/יָּבֹ֖א בֵּ֥ית יְהוָֽה־׃
STATEN

En het geschiedde, als de koning Hizkía dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.

2
וַ֠/יִּשְׁלַח אֶת אֶלְיָקִ֨ים אֲשֶׁר עַל הַ/בַּ֜יִת וְ/אֵ֣ת שֶׁבְנָ֣א הַ/סּוֹפֵ֗ר וְ/אֵת֙ זִקְנֵ֣י הַ/כֹּהֲנִ֔ים מִתְכַּסִּ֖ים בַּ/שַּׂקִּ֑ים אֶל יְשַֽׁעְיָ֥הוּ בֶן אָמ֖וֹץ הַ/נָּבִֽיא־־־׀־־׃
STATEN

Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz;

3
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֗י/ו כֹּ֚ה אָמַ֣ר חִזְקִיָּ֔הוּ יוֹם צָרָ֧ה וְ/תוֹכֵחָ֛ה וּ/נְאָצָ֖ה הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה כִּ֣י בָ֤אוּ בָנִים֙ עַד מַשְׁבֵּ֔ר וְ/כֹ֥חַ אַ֖יִן לְ/לֵדָֽה־־׃
STATEN

En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.

4
אוּלַ֡י יִשְׁמַע֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהֶ֜י/ךָ אֵ֣ת דִּבְרֵ֣י רַב שָׁקֵ֗ה אֲשֶׁר֩ שְׁלָח֨/וֹ מֶֽלֶךְ אַשּׁ֤וּר אֲדֹנָי/ו֙ לְ/חָרֵף֙ אֱלֹהִ֣ים חַ֔י וְ/הוֹכִ֨יחַ֙ בַּ/דְּבָרִ֔ים אֲשֶׁ֥ר שָׁמַ֖ע יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ וְ/נָשָׂ֣אתָ תְפִלָּ֔ה בְּעַ֥ד הַ/שְּׁאֵרִ֖ית הַ/נִּמְצָאָֽה׀־־׀׃
STATEN

Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.

5
וַ/יָּבֹ֗אוּ עַבְדֵ֛י הַ/מֶּ֥לֶךְ חִזְקִיָּ֖הוּ אֶל יְשַׁעְיָֽהוּ־׃
STATEN

En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesaja.

6
וַ/יֹּ֤אמֶר אֲלֵי/הֶם֙ יְשַֽׁעְיָ֔הוּ כֹּ֥ה תֹאמְר֖וּ/ן אֶל אֲדֹנֵי/כֶ֑ם כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אַל תִּירָא֙ מִ/פְּנֵ֤י הַ/דְּבָרִים֙ אֲשֶׁ֣ר שָׁמַ֔עְתָּ אֲשֶׁ֧ר גִּדְּפ֛וּ נַעֲרֵ֥י מֶלֶךְ אַשּׁ֖וּר אוֹתִֽ/י־׀־־׃
STATEN

En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrië gelasterd hebben.

7
הִנְ/נִ֨י נוֹתֵ֥ן בּ/וֹ֙ ר֔וּחַ וְ/שָׁמַ֥ע שְׁמוּעָ֖ה וְ/שָׁ֣ב אֶל אַרְצ֑/וֹ וְ/הִפַּלְתִּ֥י/ו בַּ/חֶ֖רֶב בְּ/אַרְצֽ/וֹ־׃
STATEN

Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.

8
וַ/יָּ֨שָׁב֙ רַב שָׁקֵ֔ה וַ/יִּמְצָא֙ אֶת מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר נִלְחָ֖ם עַל לִבְנָ֑ה כִּ֣י שָׁמַ֔ע כִּ֥י נָסַ֖ע מִ/לָּכִֽישׁ־־־׃
STATEN

Zo kwam Rabsake weder, en hij vond den koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.

9
וַ/יִּשְׁמַ֗ע עַל תִּרְהָ֤קָה מֶֽלֶךְ כּוּשׁ֙ לֵ/אמֹ֔ר יָצָ֖א לְ/הִלָּחֵ֣ם אִתָּ֑/ךְ וַ/יִּשְׁמַע֙ וַ/יִּשְׁלַ֣ח מַלְאָכִ֔ים אֶל חִזְקִיָּ֖הוּ לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:

10
כֹּ֣ה תֹאמְר֗וּ/ן אֶל חִזְקִיָּ֤הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָה֙ לֵ/אמֹ֔ר אַל יַשִּֽׁאֲ/ךָ֣ אֱלֹהֶ֔י/ךָ אֲשֶׁ֥ר אַתָּ֛ה בּוֹטֵ֥חַ בּ֖/וֹ לֵ/אמֹ֑ר לֹ֤א תִנָּתֵן֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם בְּ/יַ֖ד מֶ֥לֶךְ אַשּֽׁוּר־־־׃
STATEN

Zo zult gijlieden spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.

11
הִנֵּ֣ה אַתָּ֣ה שָׁמַ֗עְתָּ אֲשֶׁ֨ר עָשׂ֜וּ מַלְכֵ֥י אַשּׁ֛וּר לְ/כָל הָ/אֲרָצ֖וֹת לְ/הַחֲרִימָ֑/ם וְ/אַתָּ֖ה תִּנָּצֵֽל׀־׃
STATEN

Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?

12
הַ/הִצִּ֨ילוּ אוֹתָ֜/ם אֱלֹהֵ֤י הַ/גּוֹיִם֙ אֲשֶׁ֣ר הִשְׁחִ֣יתוּ אֲבוֹתַ֔/י אֶת גּוֹזָ֖ן וְ/אֶת חָרָ֑ן וְ/רֶ֥צֶף וּ/בְנֵי עֶ֖דֶן אֲשֶׁ֥ר בִּ/תְלַשָּֽׂר־־־׃
STATEN

Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelven gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 37

Nog geen artikelen die specifiek naar Jesaja 37 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →