Ga naar inhoud
NEVIIM

Jesaja 45

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
כֹּה אָמַ֣ר יְהוָה֮ לִ/מְשִׁיח/וֹ֮ לְ/כ֣וֹרֶשׁ אֲשֶׁר הֶחֱזַ֣קְתִּי בִֽ/ימִינ֗/וֹ לְ/רַד לְ/פָנָי/ו֙ גּוֹיִ֔ם וּ/מָתְנֵ֥י מְלָכִ֖ים אֲפַתֵּ֑חַ לִ/פְתֹּ֤חַ לְ/פָנָי/ו֙ דְּלָתַ֔יִם וּ/שְׁעָרִ֖ים לֹ֥א יִסָּגֵֽרוּ־־־׃
STATEN

Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:

2
אֲנִי֙ לְ/פָנֶ֣י/ךָ אֵלֵ֔ךְ וַ/הֲדוּרִ֖ים אושר דַּלְת֤וֹת נְחוּשָׁה֙ אֲשַׁבֵּ֔ר וּ/בְרִיחֵ֥י בַרְזֶ֖ל אֲגַדֵּֽעַ אֲיַשֵּׁ֑ר׃
STATEN

Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.

3
וְ/נָתַתִּ֤י לְ/ךָ֙ אוֹצְר֣וֹת חֹ֔שֶׁךְ וּ/מַטְמֻנֵ֖י מִסְתָּרִ֑ים לְמַ֣עַן תֵּדַ֗ע כִּֽי אֲנִ֧י יְהוָ֛ה הַ/קּוֹרֵ֥א בְ/שִׁמְ/ךָ֖ אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël;

4
לְמַ֨עַן֙ עַבְדִּ֣/י יַעֲקֹ֔ב וְ/יִשְׂרָאֵ֖ל בְּחִירִ֑/י וָ/אֶקְרָ֤א לְ/ךָ֙ בִּ/שְׁמֶ֔/ךָ אֲכַנְּ/ךָ֖ וְ/לֹ֥א יְדַעְתָּֽ/נִי׃
STATEN

Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israëls, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet.

5
אֲנִ֤י יְהוָה֙ וְ/אֵ֣ין ע֔וֹד זוּלָתִ֖/י אֵ֣ין אֱלֹהִ֑ים אֲאַזֶּרְ/ךָ֖ וְ/לֹ֥א יְדַעְתָּֽ/נִי׃
STATEN

Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.

6
לְמַ֣עַן יֵדְע֗וּ מִ/מִּזְרַח שֶׁ֨מֶשׁ֙ וּ/מִ/מַּ֣עֲרָבָ֔/הּ כִּי אֶ֖פֶס בִּלְעָדָ֑/י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה וְ/אֵ֥ין עֽוֹד־־׃
STATEN

Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer.

7
יוֹצֵ֥ר אוֹר֙ וּ/בוֹרֵ֣א חֹ֔שֶׁךְ עֹשֶׂ֥ה שָׁל֖וֹם וּ/ב֣וֹרֵא רָ֑ע אֲנִ֥י יְהוָ֖ה עֹשֶׂ֥ה כָל אֵֽלֶּה־׃ס
STATEN

Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen.

8
הַרְעִ֤יפוּ שָׁמַ֨יִם֙ מִ/מַּ֔עַל וּ/שְׁחָקִ֖ים יִזְּלוּ צֶ֑דֶק תִּפְתַּח אֶ֣רֶץ וְ/יִפְרוּ יֶ֗שַׁע וּ/צְדָקָ֤ה תַצְמִ֨יחַ֙ יַ֔חַד אֲנִ֥י יְהוָ֖ה בְּרָאתִֽי/ו־־־׃ס
STATEN

Drupt, gij hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruiten; Ik, de HEERE, heb ze geschapen.

9
ה֗וֹי רָ֚ב אֶת יֹ֣צְר֔/וֹ חֶ֖רֶשׂ אֶת חַרְשֵׂ֣י אֲדָמָ֑ה הֲ/יֹאמַ֨ר חֹ֤מֶר לְ/יֹֽצְר/וֹ֙ מַֽה תַּעֲשֶׂ֔ה וּ/פָעָלְ/ךָ֖ אֵין יָדַ֥יִם לֽ/וֹ־־־־׃ס
STATEN

Wee dien, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt gij? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?

10
ה֛וֹי אֹמֵ֥ר לְ/אָ֖ב מַה תּוֹלִ֑יד וּ/לְ/אִשָּׁ֖ה מַה תְּחִילִֽי/ן־־׃ס
STATEN

Wee dien, die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?

11
כֹּֽה אָמַ֧ר יְהוָ֛ה קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל וְ/יֹצְר֑/וֹ הָ/אֹתִיּ֣וֹת שְׁאָל֔וּ/נִי עַל בָּנַ֛/י וְ/עַל פֹּ֥עַל יָדַ֖/י תְּצַוֻּֽ/נִי־־־׃
STATEN

Alzo zegt de HEERE, de Heilige Israëls, en deszelfs Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zoudt gij Mij van het werk Mijner handen bevel geven?

12
אָֽנֹכִי֙ עָשִׂ֣יתִי אֶ֔רֶץ וְ/אָדָ֖ם עָלֶ֣י/הָ בָרָ֑אתִי אֲנִ֗י יָדַ/י֙ נָט֣וּ שָׁמַ֔יִם וְ/כָל צְבָאָ֖/ם צִוֵּֽיתִי־׃
STATEN

Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb den mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun heir bevel gegeven.

Op De Naamdragers

Blogs over Jesaja 45

Nog geen artikelen die specifiek naar Jesaja 45 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →