NEVIIM

Jesaja 46

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
כָּרַ֥ע בֵּל֙ קֹרֵ֣ס נְב֔וֹ הָיוּ֙ עֲצַבֵּי/הֶ֔ם לַ/חַיָּ֖ה וְ/לַ/בְּהֵמָ֑ה נְשֻׂאֹתֵי/כֶ֣ם עֲמוּס֔וֹת מַשָּׂ֖א לַ/עֲיֵפָֽה
STATEN

Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.

2
קָרְס֤וּ כָֽרְעוּ֙ יַחְדָּ֔ו לֹ֥א יָכְל֖וּ מַלֵּ֣ט מַשָּׂ֑א וְ/נַפְשָׁ֖/ם בַּ/שְּׁבִ֥י הָלָֽכָה
STATEN

Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.

3
שִׁמְע֤וּ אֵלַ/י֙ בֵּ֣ית יַעֲקֹ֔ב וְ/כָל שְׁאֵרִ֖ית בֵּ֣ית יִשְׂרָאֵ֑ל הַֽ/עֲמֻסִים֙ מִנִּי בֶ֔טֶן הַ/נְּשֻׂאִ֖ים מִנִּי רָֽחַם
STATEN

Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.

4
וְ/עַד זִקְנָה֙ אֲנִ֣י ה֔וּא וְ/עַד שֵיבָ֖ה אֲנִ֣י אֶסְבֹּ֑ל אֲנִ֤י עָשִׂ֨יתִי֙ וַ/אֲנִ֣י אֶשָּׂ֔א וַ/אֲנִ֥י אֶסְבֹּ֖ל וַ/אֲמַלֵּֽט
STATEN

En tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.

5
לְ/מִ֥י תְדַמְי֖וּ/נִי וְ/תַשְׁו֑וּ וְ/תַמְשִׁל֖וּ/נִי וְ/נִדְמֶֽה
STATEN

Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en evengelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden?

6
הַ/זָּלִ֤ים זָהָב֙ מִ/כִּ֔יס וְ/כֶ֖סֶף בַּ/קָּנֶ֣ה יִשְׁקֹ֑לוּ יִשְׂכְּר֤וּ צוֹרֵף֙ וְ/יַעֲשֵׂ֣/הוּ אֵ֔ל יִסְגְּד֖וּ אַף יִֽשְׁתַּחֲוּֽוּ
STATEN

Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor.

7
יִ֠שָּׂאֻ/הוּ עַל כָּתֵ֨ף יִסְבְּלֻ֜/הוּ וְ/יַנִּיחֻ֤/הוּ תַחְתָּי/ו֙ וְ/יַֽעֲמֹ֔ד מִ/מְּקוֹמ֖/וֹ לֹ֣א יָמִ֑ישׁ אַף יִצְעַ֤ק אֵלָי/ו֙ וְ/לֹ֣א יַעֲנֶ֔ה מִ/צָּרָת֖/וֹ לֹ֥א יוֹשִׁיעֶֽ/נּוּ
STATEN

Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.

8
זִכְרוּ זֹ֖את וְ/הִתְאֹשָׁ֑שׁוּ הָשִׁ֥יבוּ פוֹשְׁעִ֖ים עַל לֵֽב
STATEN

Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders!

9
זִכְר֥וּ רִאשֹׁנ֖וֹת מֵ/עוֹלָ֑ם כִּ֣י אָנֹכִ֥י אֵל֙ וְ/אֵ֣ין ע֔וֹד אֱלֹהִ֖ים וְ/אֶ֥פֶס כָּמֽוֹ/נִי
STATEN

Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik;

10
מַגִּ֤יד מֵֽ/רֵאשִׁית֙ אַחֲרִ֔ית וּ/מִ/קֶּ֖דֶם אֲשֶׁ֣ר לֹא נַעֲשׂ֑וּ אֹמֵר֙ עֲצָתִ֣/י תָק֔וּם וְ/כָל חֶפְצִ֖/י אֶעֱשֶֽׂה
STATEN

Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.

11
קֹרֵ֤א מִ/מִּזְרָח֙ עַ֔יִט מֵ/אֶ֥רֶץ מֶרְחָ֖ק אִ֣ישׁ עצת/ו אַף דִּבַּ֨רְתִּי֙ אַף אֲבִיאֶ֔/נָּה יָצַ֖רְתִּי אַף אֶעֱשֶֽׂ/נָּה עֲצָתִ֑/י
STATEN

Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.

12
שִׁמְע֥וּ אֵלַ֖/י אַבִּ֣ירֵי לֵ֑ב הָ/רְחוֹקִ֖ים מִ/צְּדָקָֽה
STATEN

Hoort naar Mij, gij stijven van harte, gij, die verre van de gerechtigheid zijt!

13
קֵרַ֤בְתִּי צִדְקָתִ/י֙ לֹ֣א תִרְחָ֔ק וּ/תְשׁוּעָתִ֖/י לֹ֣א תְאַחֵ֑ר וְ/נָתַתִּ֤י בְ/צִיּוֹן֙ תְּשׁוּעָ֔ה לְ/יִשְׂרָאֵ֖ל תִּפְאַרְתִּֽ/י
STATEN

Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid.